ECLI:NL:RBDHA:2025:22337

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL25.56177
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 26 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring die aan eiser was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, een Marokkaanse nationaliteit hebbende, had op 14 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft vastgesteld dat het digitale dossier op 13 november 2025 compleet is gemaakt met de verklaring tot intrekking van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring terecht is opgelegd, omdat er voldoende gronden zijn om te veronderstellen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De rechtbank heeft de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, als voldoende gemotiveerd en feitelijk juist beoordeeld. Eiser heeft verzocht om in een regulier asielzoekerscentrum te verblijven, maar de rechtbank oordeelt dat dit verzoek niet kan worden toegewezen, gezien het risico op onttrekking aan het toezicht. Uiteindelijk wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56177

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 19 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 21 november 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 25 november 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Grondslagwijziging
2. Eiser stelt dat de intrekking van zijn asielaanvraag (nog) niet aan het digitale dossier is toegevoegd. Daarom kan niet worden gecontroleerd of de maatregel van bewaring tijdig is omgezet.
3. De rechtbank stelt vast dat het digitale dossier inmiddels compleet is gemaakt met de ‘M53’-verklaring. Hieruit blijkt dat eiser op 13 november 2025 de verklaring tot intrekking van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw (asielaanvraag) heeft ondertekend. Eiser heeft daarmee op 13 november 2025 zijn asielaanvraag ingetrokken. Verweerder was daarom gehouden de grondslag van de bewaring te wijzigen. Op 14 november 2025 heeft verweerder de huidige maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. De rechtbank wijst erop dat het huidige beroep ziet op de maatregel van bewaring die aan eiser is opgelegd op 14 november 2025 en dat de vraag of de voorgaande maatregel tijdig is opgeheven niet ter toetsing voorligt. De rechtbank stelt daarom ten overvloede vast dat de grondslag binnen de vereiste 48 uur is gewijzigd.
Maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. De rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 25 november 2025 [3] geoordeeld dat deze gronden voldoende gemotiveerd en feitelijk juist zijn, en ziet geen aanleiding om hier nu anders over te oordelen. De zware grond 3a is nog altijd feitelijk juist. Dat de grondslag van de maatregel is gewijzigd en er daarom geen sprake van is dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, doet niet af aan het feit dat hij niet over een geldig reisdocument beschikt. Dat maakt dat eiser Nederland bij eerste binnenkomst niet op de voorgeschreven is binnengekomen. Ook zware grond 3b is feitelijk juist. Eiser is immers na zijn asielaanvraag van 9 oktober 2024 op 1 december 2024 met onbekende bestemming vertrokken. Dit wordt door eiser niet betwist. Dat eiser eerder Nederland daadwerkelijk heeft verlaten en nu door België gedwongen wordt overgedragen aan Nederland, is niet relevant voor de beoordeling van de feitelijke juistheid van deze grond. Dat eiser voorafgaand aan de huidige maatregel van bewaring ook al in bewaring verbleef, maakt niet dat de grond 3b hem niet mag worden tegengeworpen. Zware grond 3c is ook feitelijk juist. Op 19 november 2024 is een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser. Dit besluit is verstuurd naar zijn toenmalige gemachtigde. Verder is het besluit bekendgemaakt in de Staatscourant. Daarmee is het terugkeerbesluit op de juiste gronden bekendgemaakt.
6. Deze zware gronden zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Een risico op onttrekking aan het toezicht is daarmee gegeven. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Lichter middel
7. Eiser verzoekt in een regulier asielzoekerscentrum te mogen verblijven in afwachting van het verdere verloop van zijn procedure. De rechtbank vat dit op als een beroep op een lichter middel.
8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Daartoe is van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en meermaals heeft verklaard niet terug te willen keren naar Marokko. Daarom is niet aannemelijk dat een lichter middel zal leiden tot het beoogde resultaat, een vertrek naar Marokko.
Ambtshalve toetsing
9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).