Eiser heeft op 23 mei 2024 een herhaalde asielaanvraag ingediend en verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Na een ingebrekestelling op 17 december 2024 stelde eiser op 6 januari 2025 beroep in wegens het uitblijven van een besluit.
De asielaanvraag valt onder een besluit- en vertrekmoratorium dat op 10 januari 2024 voor zes maanden gold voor de Palestijnse gebieden. Dit moratorium is echter op 24 april 2024 door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd, waardoor het geacht wordt nooit te hebben bestaan.
De rechtbank stelt vast dat verweerder uiterlijk op 23 november 2024 had moeten beslissen, wat niet is gebeurd. Het beroep is daarom gegrond verklaard. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €7.500,- opgelegd bij overschrijding van deze termijn.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege de lichte aard van de zaak die enkel over de beslistermijn en dwangsom gaat.