Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. In dat kader heeft eiser voor de jaren 2008 en 2009 een compensatiebedrag ontvangen van € 21.698 (compensatiebedrag). In het compensatiebedrag is een bedrag van € 1.987 begrepen voor vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 7.943 voor vergoeding van immateriële schade. Het compensatiebedrag is later op grond van de Catshuisregeling aangevuld met een bedrag van € 8.302 (Catshuis surplus).
3. Omdat eiser van mening is dat hij meer schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag dan het compensatiebedrag dat hij van verweerder heeft ontvangen, heeft hij een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS). Daarbij heeft eiser aanspraak gemaakt op een schadevergoeding van tenminste € 235.663, als volgt gespecificeerd:
- Kosten van vrije dagen € 4.000
- Verlies aan inkomen minimaal € 220.000
- Overige vermogensschade € 5.000
- Kosten juridische bijstand € 6.662,87
- Immateriële schade niet gespecificeerd
4. De CWS heeft op 2 juni 2023 haar advies uitgebracht en verweerder geadviseerd om aan eiser een aanvullende schadevergoeding voor de werkelijke schade toe te kennen van € 8.720. Volgens de CWS bestaat de werkelijke materiële schade van eiser uit een bedrag van € 300 voor het opnemen van vier dagdelen (vier dagdelen x € 75) voor het voeren van de bezwaarprocedures over de jaren 2008 en 2009 en de kosten van juridische bijstand voor de jaren 2008 en 2009 tot een bedrag van € 2.000 (€ 1.000 per ingediend bezwaar). De wettelijke rente over de werkelijke materiële schade heeft de CWS berekend op € 716. De inkomensschade en vermogensschade komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de CWS het niet aannemelijk vindt dat die schadeposten het gevolg zijn van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Wat de immateriële schade betreft, heeft de CWS geadviseerd om aan eiser en zijn partner € 21.850 en aan hun kinderen € 2.000 toe te kennen. Ook moet eiser een aanvullende compensatie van 1% van het totaalbedrag ontvangen van € 86. De al door eiser ontvangen vergoeding voor materiële en immateriële schade en het Catshuis surplus zijn door de CWS in mindering gebracht op het totaalbedrag van de werkelijke schade. Daarnaast adviseert de CWS om aan eiser een aanvullende vergoeding van € 3.417 toe te kennen voor het voeren van de procedure bij de CWS, bestaande uit € 3.267 voor de kosten van juridische bijstand (uurtarief van de accountant van € 163,35 (inclusief btw) x 20 uur) en € 150 voor het opnemen van twee dagdelen (twee dagdelen x € 75).
5. In het primaire besluit heeft verweerder, in overeenstemming met het advies van de CWS, een aanvullende schadevergoeding aan eiser toegekend van € 12.137.
6. Op 25 september 2024 heeft de bezwaarschriftenadviescommissie (bac) advies uitgebracht aan verweerder en geadviseerd het bezwaar van eiser deels gegrond te verklaren, een aanvullend bedrag aan eiser toe te kennen voor de kosten van vrije dagen dan wel te motiveren waarom de gevraagde verletdagen niet voor vergoeding in aanmerking komen, een hogere vergoeding toe te kennen voor de kosten van juridische bijstand die gemaakt zijn in het kader van de procedure bij de CWS en een extra vergoeding toe te kennen van
€ 3.000 voor de immateriële schade.
7. In het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bac geheel gevolgd, de immateriële schade van eiser begroot op een bedrag van € 34.750, de kosten van vrije dagen voor de bezwaarprocedures over de jaren 2008 en 2009 vastgesteld op een bedrag van
€ 2.750 (€ 150 x 5 dagen loondienst en € 400 x 5 dagen als zelfstandige), een aanvullende vergoeding toegekend van € 405 (uurtarief van de accountant van € 135 x 3 uur) voor de kosten van juridische bijstand in de periode van mei 2022 tot en met eind maart 2023 (de periode van aanvraag werkelijke schade tot en met het toelichtingsgesprek bij de CWS) en een aanvullende vergoeding toegekend van € 350 voor het voeren van de procedure bij de CWS. De reeds door eiser ontvangen vergoedingen voor de materiële en immateriële schade zijn in mindering gebracht op het totaalbedrag van de werkelijke schade.
Wat vindt eiser in beroep?
8. Eiser vindt dat de toegekende aanvullende werkelijke schadevergoeding te laag is vastgesteld. De inkomensschade is ten onrechte niet vergoed, omdat wel degelijk sprake is van een causaal verband tussen de inkomensschade en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Eiser is minimaal € 220.000 aan omzet misgelopen doordat hij rond mei 2014 niet in staat was om een shovel aan te schaffen. Eiser vindt daarnaast dat ook zijn vermogensschade vergoed had moeten worden. Eiser heeft namelijk zijn Chevrolet moeten inruilen voor een Ford, waardoor hij een verlies heeft geleden van € 5.000 en dit verlies is het gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag. Eiser vindt verder dat ook de vergoeding voor de kosten van juridische bijstand te laag is vastgesteld. Verweerder had namelijk ook een vergoeding moeten toekennen voor de periode tot en met februari 2024 en de onderhavige beroepsprocedure. Eiser schat de totale kosten voor juridische bijstand inmiddels in op een bedrag van € 10.000. Ook de vergoeding voor de immateriële schade is volgens eiser te laag vastgesteld. Eiser kan zich niet vinden in de toegekende bedragen voor de bouwstenen B, C en E. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Eiser verzoekt tot slot nog om een dwangsom, omdat verweerder de wettelijke beslistermijnen niet heeft gehaald.
Wat vindt verweerder in beroep?
9. Uit de adviezen van de CWS en de BAC volgt dat eiser geen recht heeft op vergoeding van de gestelde inkomensschade en vermogensschade. Het causale verband tussen die schadeposten en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag is niet aannemelijk geworden. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere vergoeding voor de kosten van juridische bijstand en een hogere immateriële schadevergoeding. Volgens verweerder zijn de vergoedingen voor de bouwstenen B, C en E correct en met inachtneming van het schadekader van de CWS berekend. Eisers verzoek om een dwangsom ligt niet in deze procedure ter toetsing voor en valt buiten de omvang van dit geschil.
10. De rechtbank is bij haar beoordeling gebonden aan de omvang van het bij de CWS ingediende verzoek en de door eiser in bezwaar en beroep binnen die omvang aangevoerde gronden. Dat betekent dat de rechtbank in deze uitspraak geen oordeel kan geven over gronden die daarbuiten vallen, zoals de stelling van eiser dat verweerder de wettelijke beslistermijnen niet heeft gehaald en het verzoek van eiser tot het uitbetalen van een dwangsom. Uit het bestreden besluit blijkt bovendien dat verweerder rekening heeft gehouden met de uitzonderlijk lange afhandelingstermijn van eisers bezwaar door aan hem voor bouwsteen E een aanvullende immateriële schadevergoeding toe te kennen van
Wat is het toetsingskader?
11. Uit artikel 2.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen volgt dat een aanvrager van compensatie voor werkelijke schade aannemelijk dient te maken dat en in welke mate de door hem werkelijk geleden schade overeenkomstig het civiele schadevergoedingsrecht hoger is dan het na de integrale beoordeling toegekende bedrag. Concreet betekent dit dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij daadwerkelijk schade heeft geleden, hoe hoog die schade is en dat er een causaal verband bestaat tussen de geleden schade en de handelwijze van verweerder.Aannemelijk maken betekent dat eiser aan de hand van verklaringen en stukken duidelijk moet maken dat zijn stellingen juist zijn. Dit betekent niet dat van eiser wordt gevraagd al de ingenomen stellingen te bewijzen met objectief verifieerbare bewijsstukken, maar wel dat zijn stellingen worden ondersteund door of passen bij de overige aanwezige informatie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
12. Verweerder heeft de hoogte van eisers materiële schade gebaseerd op het advies van de CWS. Het advies van de CWS is een deskundigenadvies als bedoeld in artikel 3:5 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank is van oordeel dat het advies van de CWS voldoet aan de daaraan te stellen eisen en dat verweerder het bestreden besluit daarop mocht baseren. Het advies is gebaseerd op de door eiser aangevoerde omstandigheden en de door eiser verstrekte gegevens. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, geen concrete aanknopingspunten die twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, rechtvaardigen. Niet gebleken is dat er relevante omstandigheden zijn die niet door de CWS zijn meegewogen in het advies.
13. De CWS heeft in dit verband geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat eiser inkomensverlies heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag. De opdracht voor werkzaamheden met een shovel is rond de periode van mei 2014 niet doorgegaan, maar eiser heeft in de periode daarna niet zonder werk gezeten. Uit de inkomensgegevens van eiser blijkt niet dat sprake is van inkomensschade. Sinds eiser medio mei 2014 als zelfstandige is gaan werken, is zijn inkomen immers toegenomen. Alleen in het jaar 2017 was zijn inkomen lager, maar toen werkte eiser grotendeels in loondienst. Of eiser ook zonder de problemen met de kinderopvangtoeslag een shovel had aangeschaft en daaruit inkomsten zou hebben ontvangen, is volgens de CWS afhankelijk van veel (toekomstige) onzekere factoren. Eiser heeft geen stukken overgelegd over de voorgenomen aanschaf van de shovel en de financiering daarvan. De CWS vindt daarom dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk een shovel wilde aanschaffen en of dat ook financieel mogelijk was. De CWS vindt daarnaast dat niet aannemelijk is geworden dat het terugbetalen van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot een gebrek aan liquide middelen, waardoor eiser de shovel niet kon aanschaffen. Eiser heeft in de periode van 28 juli 2014 tot en met 9 augustus 2016 een bedrag terugbetaald van in totaal € 8.199 en dit gebeurde door betalingen van € 332 dan wel € 345 per maand. Volgens de CWS hoefde eiser niet zulke forse bedragen terug te betalen aan verweerder dat die in redelijkheid tot een gebrek aan liquide middelen kunnen hebben geleid. Daar komt bij dat de inkomsten van het gezin in die periode waren toegenomen, waardoor de CWS het niet aannemelijk vindt dat eiser de maandelijkse betalingen aan verweerder van € 332 dan wel € 345 niet kon opvangen en dat er door die betalingen geen ruimte was voor de aanschaf van een shovel. De CWS wijst er verder op dat de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 al in september 2010 op nihil was gesteld, zodat eiser al bijna vier jaar bekend was met de kinderopvangtoeslagschuld voordat hij rond mei 2014 als zelfstandige ging werken. De CWS gaat ervan uit dat eiser bij het regelen van de financiering voor de shovel rekening heeft gehouden met die terugbetalingsverplichting, althans eiser had dit kunnen doen. De CWS acht verder van belang dat eiser ook later nooit meer een shovel heeft aangeschaft. De CWS ziet gelet op al het voorgaande onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat eiser de shovel had aangeschaft (en hierdoor verhuuropbrengsten zou ontvangen) als de problemen met de kinderopvangtoeslag er niet waren geweest.
13.1Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in beroep niet aannemelijk gemaakt dat hem door de kinderopvangtoeslagproblematiek de kans om een shovel te kopen is ontnomen. Er zijn geen gegevens overgelegd die duidelijk maken dat de koop van de shovel destijds binnen de financiële mogelijkheden van eiser lag. Evenmin blijkt uit het dossier dat eiser daadwerkelijk stappen had ondernomen om tot aankoop van de shovel over te gaan en dat het handelen van verweerder de directe oorzaak is geweest van het niet doorgaan van deze aankoop. Dit oorzakelijk verband blijkt ook niet uit de brief van
21 juni 2022 van loonbedrijf [bedrijf] . De enkele stelling van eiser dat hij zonder de terugvordering van de kinderopvangtoeslag in staat was om de shovel te kopen, is onvoldoende. Daar komt bij dat het maandelijks aan verweerder terug te betalen bedrag, in relatie tot het inkomen van eiser en zijn partner, niet zodanig hoog was dat aannemelijk is dat die betalingen tot een gebrek aan liquide middelen hebben geleid waardoor de shovel niet kon worden aangeschaft. Het inkomen van eiser is bovendien vanaf medio 2014 gedurende een aantal jaar gestegen. De rechtbank neemt zonder meer aan dat het gestegen inkomen het resultaat is van al het harde werk van eiser, maar dat eiser daadwerkelijk inkomensschade heeft geleden door het handelen van verweerder is daarmee ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt. De omstandigheid dat eiser veel stress heeft ervaren als gevolg van de problemen met de kinderopvangtoeslag, maakt evenmin dat daarmee een causaal verband bestaat tussen het niet aanschaffen van de shovel en als gevolg daarvan het verlies aan inkomen en de handelwijze van verweerder. Verweerder heeft dan ook terecht voor deze schadepost geen schadevergoeding toegekend.
Vermogensschade
14. De CWS heeft hierover overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiser schade heeft geleden door de problemen met de kinderopvangtoeslag doordat hij de Chevrolet in heeft moeten ruilen voor de Ford. Er zijn geen stukken over de aanschafprijs van de Chevrolet en het bedrag waarvoor de auto een paar maanden later is ingeruild. Zonder stukken is een verlies van € 5.000 niet aannemelijk. Gezien eisers toelichting moet de Chevrolet rond december 2012 of in januari 2013 zijn aangeschaft, maar op dat moment was eiser al ruim twee jaar bekend met de terugvordering van de kinderopvangtoeslag, alleen betaalde hij toen nog niet terug aan verweerder. Eiser is pas begonnen met terugbetalen in juli 2014 en dat is ruim een jaar na het inruilen van de Chevrolet.
14.1In wat eiser naar voren heeft gebracht en de stukken die hij heeft overgelegd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het aannemen van een causaal verband tussen de verkoop van de Chevrolet en de problemen met de kinderopvangtoeslag. Eiser heeft ook in beroep geen begin van bewijs heeft geleverd op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat hij de Chevrolet als gevolg van het handelen van verweerder heeft moeten verkopen en daardoor een verlies heeft geleden van € 5.000. De enkele stelling daartoe, is onvoldoende. Daar komt bij dat de aanschafdatum van de Chevrolet omstreeks januari 2013 en de inruildatum van 19 maart 2013, niet passen in de tijdlijn van gebeurtenissen om, zoals ter zitting door eiser gesteld, als de zogenaamde eerste shockmomenten te worden aangemerkt. Eiser was immers al op 24 november 2009 op de hoogte van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag 2009, in september 2010 wist hij dat de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 op nihil was gesteld en eisers bezwaar tegen die nihilstelling is pas op 9 april 2014 ongegrond verklaard. De Chevrolet is dus aangeschaft terwijl eiser op de hoogte was van de nihilstelling van de kinderopvangtoeslag en ingeruild ruim nadat de problemen met de kinderopvangtoeslag waren begonnen, maar ruim voordat eiser daadwerkelijk begon met terugbetalen. Verweerder heeft dan ook terecht geen vergoeding toegekend voor de gestelde vermogensschade.
14.2De stelling van eiser dat zijn bewijsstukken verloren zijn gegaan, maakt het voorgaande niet anders. Eiser heeft immers geen begin van bewijs aangedragen op grond waarvan aannemelijk geacht zou kunnen worden dat hij in dit verband als gevolg van het handelen van verweerder schade heeft geleden.
Kosten juridische bijstand
15. Aan eiser is voor het voeren van de procedure bij de CWS in eerste instantie een vergoeding toegekend voor 20 uur, hetgeen neerkomt op een vergoeding van € 3.267. Eiser heeft in de bezwaarfase een urenspecificatie van zijn accountant overgelegd, waaruit volgt dat de accountant in de periode van mei 2022 tot en met april 2023 voor 22,30 uur werkzaamheden voor eiser heeft verricht in het kader van de procedure bij de CWS. In het bestreden besluit zijn daarom de resterende (afgerond) 3 uur aan eiser vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende toegelicht hoe hij uiteindelijk tot het bedrag van € 3.672 is gekomen en waarom hij geen ruimte ziet om in dit verband een hogere vergoeding toe te kennen. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde stukken en in hetgeen hij heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten om verweerder niet te volgen in zijn standpunt. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij recht heeft op een hogere vergoeding voor de kosten van juridische bijstand.
Immateriële schadevergoeding
16. Uit het schadekader van de CWS volgt dat de immateriële schadevergoeding uit vijf bouwstenen bestaat en per bouwsteen is er een aantal factoren dat meeweegt bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding.Aan elke factor die van toepassing is wordt een bedrag toegekend, afhankelijk van hoe zwaar de factor meeweegt. Bij het bepalen van de hoogte van eisers immateriële schadevergoeding heeft verweerder in aanmerking genomen de bedragen die gekoppeld zijn aan de bouwstenen A (aantasting in de persoon, van de eer en de goede naam) B (gezinssamenstelling), C (het inkomen van de ouders in relatie tot de teruggevorderde kinderopvangtoeslag, D (onterecht geen recht op kinderopvangtoeslag) en E (de stressvolle jaren vanaf de eerste negatieve kinderopvangtoeslagbeschikking). Verweerder heeft in het bestreden besluit en in het verweerschrift aan de hand van die bouwstenen toegelicht hoe hij met inachtneming van het schadekader tot het totaal toegekende bedrag voor de immateriële schade van € 34.750 is gekomen en dat de aan eiser toegekende bedragen voor de bouwstenen B, C en E vallen binnen de bandbreedte die de CWS voor die bouwstenen heeft vastgesteld. Verweerder heeft ook toegelicht wat de reden is geweest om van een bepaald bedrag binnen die bandbreedte uit te gaan en waarom de einddatum van bouwsteen E is doorgetrokken tot aan de datum van het bestreden besluit.
16.1De rechtbank is van oordeel dat verweerder inzichtelijk heeft gemotiveerd hoe hij tot het bedrag van € 34.750 is gekomen. De rechtbank ziet in dat wat eiser hierover heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van het huidige schadekader aanleiding bestaat voor het toekennen van een hogere vergoeding voor de immateriële schade. De impact van de kinderopvangtoeslagproblematiek op eisers zoon, is meegewogen in bouwsteen B en de omstandigheid dat eiser dag en nacht heeft moeten werken is meegewogen in bouwsteen A, te weten de factoren sociale impact en langdurige financiële stress. Eiser heeft voor bouwsteen A een vergoeding ontvangen van
€ 11.500. Het is de rechtbank niet gebleken dat er relevante omstandigheden zijn die niet door verweerder zijn meegewogen in het bestreden besluit. Met wat eiser in beroep en op de zitting heeft aangevoerd, is niet aannemelijk gemaakt dat recht bestaat op een hogere immateriële schadevergoeding dan het reeds toegekende bedrag van € 34.750.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
17. De rechtbank hecht eraan op te merken dat het hiervoor gegeven oordeel niet afdoet aan de erkenning van eiser als een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Het is de rechtbank duidelijk dat eiser nog steeds pijn en verdriet ondervindt als gevolg van de toeslagenaffaire. Eiser heeft aangegeven dat hij hiervoor onvoldoende erkenning heeft ervaren, maar op zichzelf betekent dat echter niet dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook is het de rechtbank uit het dossier duidelijk geworden dat eiser veel frustratie heeft ervaren door de lange behandelingsduur van zijn zaak, maar ook dat betekent niet dat de procedure als zodanig in zijn geval onzorgvuldig is geweest.