ECLI:NL:RBDHA:2025:22412

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.38407 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in het verzet van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 30 oktober 2025. Opposante had op 15 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 23 oktober 2023. De minister van Asiel en Migratie, als geopposeerde, heeft de asielaanvraag op 3 september 2025 ingewilligd. Opposante trok haar beroep in op 23 oktober 2025 en vroeg om vergoeding van de proceskosten, maar dit verzoek werd afgewezen door de rechtbank. Opposante stelde op 5 november 2025 verzet in tegen deze afwijzing.

De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was en dat de eerdere uitspraak ten onrechte buiten zitting was gedaan. De rechtbank concludeerde dat er niet buiten redelijke twijfel was dat het (ingetrokken) beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling op 31 juli 2025 door de geopposeerde was ontvangen, wat betekende dat het beroep van 15 augustus 2025 niet prematuur was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet kennelijk ongegrond kon worden afgewezen en dat de geopposeerde in de proceskosten moest worden veroordeeld.

De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op € 907,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38407 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[naam], opposante [1] ,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
mede namens haar minderjarige zoon:

[naam], V-nummer: [nummer],

tegen de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2025 in het beroep van opposante tegen

de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.

Procesverloop

1. Opposante heeft op 15 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 23 oktober 2023. Bij brief van 3 september 2025 heeft geopposeerde de asielaanvraag ingewilligd.
1.1.
Opposante heeft vervolgens op 23 oktober 2025 haar beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingetrokken en daarbij verzocht om geopposeerde te veroordelen in de proceskosten.
1.2.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.
1.3.
Opposante heeft tegen deze uitspraak op 5 november 2025 verzet ingesteld.

Overwegingen

2. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [2]
3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 oktober 2025 het verzoek om de vergoeding van de proceskosten als kennelijk ongegrond afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen was ingediend binnen 14 dagen na de indiening van de ingebrekestelling. Dit leek te betekenen dat sprake was van een prematuur ingediend beroep. Het beroep voldeed daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen. [3] Dit had tot gevolg dat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestond, omdat voor een toewijzing van een proceskostenveroordeling een ontvankelijk beroep is vereist.
4. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittingsuitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het (ingetrokken) beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
5. Opposante is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het (ingetrokken) beroep niet-ontvankelijk was. Volgens opposante is de ingebrekestelling op
31 juli 2025 door geopposeerde ontvangen. Dit betekent volgens opposante dat het beroep van 15 augustus 2025 niet prematuur is ingediend.
5.1.
Geopposeerde heeft in de ontvangstbevestiging van 3 augustus 2025 aangegeven dat de ingebrekestelling op 2 augustus 2025 is ontvangen.
6. De rechtbank overweegt dat het (ingetrokken) beroep ten onrechte buiten zitting is afgedaan, omdat niet buiten redelijke twijfel was dat het beroep niet-ontvankelijk was . Op een zitting had kunnen worden besproken hoe het verschil moet worden geduid tussen de door opposante en geopposeerde genoemde data van ontvangst. Bovendien blijkt uit het dossier dat opposante bij het indienen van het beroep een processtuk heeft bijgesloten waaruit niet alleen de datum van de ingebrekestelling blijkt, maar ook de datum waarop deze via elektronische weg werd ingezonden (en aldus door geopposeerde werd ontvangen), te weten 31 juli 2025. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.
7. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het verzoek tot veroordeling van geopposeerde in de proceskosten niet ingevolge artikel 8:54 van de Awb kennelijk kon worden afgedaan.
8. Het verzet is kennelijk gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand, waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8;55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
9. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
10. De rechtbank stelt vast dat geopposeerde aan opposante tegemoet is gekomen door tijdens het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van opposante. Het verzoek is gegrond en wordt toegewezen.
11. De rechtbank veroordeelt geopposeerde in de door opposante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 907,-. [4]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • veroordeelt geopposeerde in de proceskosten van opposante tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Artikel 8:55, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
3.Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb
4.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5. Daarnaast is 0,5 punt gerekend voor het indienen van een verzetschrift, met een wegingsfactor van 1.