In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in het verzet van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 30 oktober 2025. Opposante had op 15 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag van 23 oktober 2023. De minister van Asiel en Migratie, als geopposeerde, heeft de asielaanvraag op 3 september 2025 ingewilligd. Opposante trok haar beroep in op 23 oktober 2025 en vroeg om vergoeding van de proceskosten, maar dit verzoek werd afgewezen door de rechtbank. Opposante stelde op 5 november 2025 verzet in tegen deze afwijzing.
De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond was en dat de eerdere uitspraak ten onrechte buiten zitting was gedaan. De rechtbank concludeerde dat er niet buiten redelijke twijfel was dat het (ingetrokken) beroep niet-ontvankelijk was. De rechtbank stelde vast dat de ingebrekestelling op 31 juli 2025 door de geopposeerde was ontvangen, wat betekende dat het beroep van 15 augustus 2025 niet prematuur was ingediend. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om proceskostenvergoeding niet kennelijk ongegrond kon worden afgewezen en dat de geopposeerde in de proceskosten moest worden veroordeeld.
De rechtbank heeft de proceskosten vastgesteld op € 907,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en is openbaar gemaakt. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.