ECLI:NL:RBDHA:2025:22553
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geen rechtmatig verblijf en onjuiste verwijzing naar Polen
De minister stelde vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland had omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden van het Vreemdelingenbesluit, onder meer door het ontbreken van werk en onvoldoende middelen van bestaan. Eiseres voerde aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan en haar ten onrechte niet had gehoord in bezwaar. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende onderzoek had verricht, mede op basis van overlastmeldingen en het ontbreken van inschrijving op een adres, en dat het niet horen in bezwaar gerechtvaardigd was.
De rechtbank stelde vast dat de minister ten onrechte had bepaald dat eiseres zich naar Polen moest begeven, aangezien dit niet passend was. De belangenafweging van de minister, waarbij rekening werd gehouden met het arbeidsverleden, de relatie van eiseres en haar verblijfsgeschiedenis, viel terecht in het nadeel van eiseres uit. De rechtbank vernietigde daarom het deel van het besluit dat eiseres verplichtte naar Polen te vertrekken, maar liet het overige besluit in stand.
Ten slotte werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres, terwijl geen griffierecht hoefde te worden vergoed vanwege haar betalingsonmacht. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het deel dat eiseres ten onrechte werd opgedragen naar Polen te vertrekken; dit deel van het besluit is vernietigd.