ECLI:NL:RBDHA:2025:22577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.29184
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Syrische eiser met minderjarige kinderen en de verantwoordelijkheid van Kroatië onder de Dublinverordening

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure waarbij de eiser, een Syrische man, zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen zag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelde dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, aangezien de eiser eerder in Kroatië om internationale bescherming had verzocht. De eiser voerde aan dat hij niet de gelegenheid had gekregen om te reageren op het claimakkoord dat was bereikt na een heroverwegingsverzoek, en dat dit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. De rechtbank oordeelde echter dat de eiser niet had onderbouwd dat er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen hem, zijn kinderen en hun grootmoeder, en dat de minister niet verplicht was om de asielaanvraag van de eiser aan zich te trekken. De rechtbank concludeerde dat het beroep van de eiser ongegrond was en dat hij geen recht had op vergoeding van proceskosten. De uitspraak benadrukt de toepassing van de Dublinverordening en de verantwoordelijkheden van lidstaten in asielprocedures.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29184

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
mede namens zijn minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
(gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Op 8 oktober 2025 is de behandeling van de zaak voorafgaand aan de zitting van 9 oktober 2025 aangehouden omdat eiser aanvullende stukken heeft overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum 1] 1989, zijn minderjarige kinderen op [datum 2] 2015 respectievelijk [datum 3] 2017. Zij stellen allen de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 8 mei 2025 een derde asielaanvraag in Nederland ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 23 december 2023 al in Kroatië om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening [2] de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 25 juni 2025 geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat.
3. Eiser voert hiertegen aan dat verweerder hem niet de gelegenheid heeft geboden om te reageren op het claimakkoord dat is bereikt na een heroverwegingsverzoek. Volgens eiser is daarom sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play. Verder is er strijd met artikel 23, vierde lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft immers niet alle relevante gegevens met Kroatië gedeeld over de daadwerkelijke zorgrelatie tussen de kinderen van eiser en hun grootmoeder. Voorts heeft de grootmoeder van de kinderen hier in Nederland een asielprocedure lopen en zijn de kinderen afhankelijk van haar. Uit de voogdijbeslissing uit Griekenland blijkt ook dat de grootmoeder daadwerkelijk met de zorg voor de minderjarige kinderen was belast. Eiser doet hiermee een beroep op artikel 10, 11, 16 en 17 van de Dublinverordening. Daarnaast heeft eiser een verklaring overgelegd, waarin zowel de grootmoeder als eiser bevestigen dat de grootmoeder bereid is en in staat is om de zorg voort te zetten. Tot slot verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling [3] van 20 augustus 2025 over het horen van begeleide minderjarigen in Dublinprocedures. [4] Nu verweerder dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Tussen partijen is wel in geschil of verweerder in wat eiser heeft aangevoerd aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken.
5. Op 13 juni 2025 hebben de Kroatische autoriteiten het claimverzoek geaccepteerd voor zover dit ziet op eiser. Vanwege het risico op mensenhandel hebben zij de claim, voor zover deze betrekking had op de kinderen van eiser, evenwel afgewezen. Er was immers geen bewijs geleverd dat deze kinderen daadwerkelijk kinderen van eiser zijn. Nederland heeft vervolgens een second opinion aangevraagd. Daarin wijzen de Nederlandse autoriteiten erop dat eiser al tijdens zijn gehoor van 21 januari 2024 heeft verklaard over zijn kinderen en dat hij ook foto's heeft van documenten, waarop hij als vader wordt genoemd. Vervolgens hebben de Kroatische autoriteiten, voorafgaand aan het bestreden besluit, de claim alsnog geheel geaccepteerd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij voorafgaand aan het bestreden besluit de gelegenheid had moeten krijgen om te reageren op het claimakkoord na de heroverweging. Eiser had tenslotte in een zienswijze wel kunnen reageren op de mogelijke verantwoordelijkheid van Kroatië, hetgeen hij niet heeft gedaan. Hij heeft immers geen zienswijze ingediend. Eiser heeft evenmin gemotiveerd aangegeven wat hij had willen aanvoeren naar aanleiding van het claimakkoord na de heroverweging. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiser in zijn belangen is geschaad doordat verweerder eiser niet in gelegenheid heeft gesteld om voorafgaand aan het bestreden besluit te reageren op het claimakkoord na de heroverweging.
6. Verweerder is alleen gehouden om die informatie in het terugnameverzoek te vermelden die de aangezochte lidstaat in staat stelt om te beoordelen of hij krachtens de in de Dublinverordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2017. [5] De Afdeling heeft haar oordeel gebaseerd op wat is bepaald in artikel 23, vierde lid, en artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder a, van de Uitvoeringsverordening. [6]
7. Ten tijde van het verzoek tot terugname aan de Kroatische autoriteiten beschikte verweerder alleen over de verklaringen van eiser tijdens het aanmeldgehoor. Eiser heeft toen niet onderbouwd dat de grootmoeder een rol heeft in de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. Met alleen die verklaringen was op dat moment de gestelde opvoedkundige rol van de grootmoeder niet aannemelijk gemaakt en had verweerder dit niet hoeven op te nemen in het terugnameverzoek. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het terugnameverzoek aan Kroatië onvolledig is geweest.
8. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser en zijn kinderen en de grootmoeder geen gezinsleden zijn in de zin van de Dublinverordening, waardoor de artikelen in de Dublinverordening om gezinsleden bijeen te brengen en te houden niet op hen van toepassing zijn. De rechtbank volgt niet het door eiser ter zitting bepleite standpunt dat de grootmoeder in de definitie van gezinslid als bedoeld in artikel 2 onder g van de Dublinverordening moet worden gelezen. Uit de definities in artikel 2 onder g respectievelijk h blijkt immers dat de Dublinverordening een nadrukkelijk onderscheid maakt tussen gezinsleden en familieleden. Gelet op het voorgaande kan het beroep van eiser op de artikelen 10 en 11 van de Dublinverordening niet slagen.
9. Verder is niet gebleken van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening tussen eiser en zijn kinderen en de grootmoeder. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser niet heeft gesteld of onderbouwd dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie met de grootmoeder. Zo heeft eiser niet onderbouwd dat de grootmoeder in Syrië een rol heeft gehad in de opvoeding en verzorging van zijn minderjarige kinderen. Daarnaast blijkt uit de door eiser overgelegde voogdijbeslissingen dat de grootmoeder alleen in Griekenland de voogdij had over zijn kinderen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan verweerder besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht. Voor zover hier van belang maakt verweerder in ieder geval gebruik van deze bevoegdheid wanneer bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
11. De wens van eiser en zijn kinderen om bij hun in Nederland verblijvende (groot)moeder te verblijven is begrijpelijk, maar verweerder heeft de relatie tussen eiser en zijn kinderen en de (groot)moeder in redelijkheid niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiser en de kinderen aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening en heeft evenmin in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Overigens is de Dublinverordening niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. Indien eiser stelt dat hem op grond van artikel 8 van het EVRM een verblijfsrecht toekomt, kan hij een daartoe strekkende aanvraag bij verweerder indienen.
12. Het beroep van eiser op de uitspraak van de Afdeling over het horen van begeleide minderjarige kinderen in Dublinprocedures slaagt ook niet. Uit die uitspraak volgt immers niet dat kinderen onder twaalf jaar, zoals kinderen van eiser, ook gehoord moeten worden. De uitspraak gaat alleen over begeleide minderjarige kinderen tussen twaalf en vijftien jaar. Overigens heeft eiser niet aangegeven wat de kinderen zouden willen verklaren.
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 27 november 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Verordening (EU) nr. 2023/1773 (Uitvoeringsverordening).