In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne en stelde dat zij rechtmatig verblijf had in Nederland op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Het bestreden besluit, dat op 21 februari 2024 was genomen, stelde dat eiseres met ingang van 5 maart 2025 geen verblijfsrecht meer had en legde een terugkeerbesluit op. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, die werd toegewezen. Op 18 augustus 2025 verving de minister het eerdere terugkeerbesluit door een nieuw besluit, waartegen eiseres opnieuw in beroep ging.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit op goede gronden was genomen. Eiseres had geen rechtmatig verblijf meer op het moment van het nieuwe besluit, omdat de facultatieve tijdelijke bescherming was beëindigd. De rechtbank verwierp de argumenten van eiseres dat zij onder de bevriezingsmaatregel viel en dat de minister onvoldoende had getoetst aan artikel 3 en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeerde dat er geen belangen waren die aanleiding gaven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Eiseres werd in het ongelijk gesteld, en de rechtbank veroordeelde de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.