ECLI:NL:RBDHA:2025:22694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
09-124255-24; 03-1 17196-24 (ttz. gev.) en 03-273025-23 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van volwassenstrafrecht op 18-jarige verdachte in strafzaak met meerdere tenlasteleggingen, waaronder afpersing en drugshandel

In deze strafzaak, behandeld door de Rechtbank Den Haag op 1 december 2025, is de verdachte, geboren in 2005, aangeklaagd voor meerdere feiten, waaronder afpersing, gijzeling en drugshandel. De rechtbank heeft de zaak op tegenspraak behandeld, waarbij de verdachte aanwezig was. De officier van justitie, mr. N.A. Bakker, heeft vrijspraak bepleit voor enkele feiten, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. W.B.O. van Soest, ook vrijspraak heeft gevraagd voor andere tenlasteleggingen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de gijzeling en poging tot zware mishandeling, maar heeft hem wel schuldig bevonden aan de pogingen tot afpersing en het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, evenals de drugshandel. De rechtbank heeft de verdachte een gevangenisstraf van 180 dagen opgelegd, waarvan 52 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 60 uren. Daarnaast zijn de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, met verwijzing naar de Rotterdamse Schaal voor smartengeld. De rechtbank heeft ook een gedeelte van het inbeslaggenomen geld verbeurd verklaard, dat is verkregen door middel van de bewezen feiten. De uitspraak benadrukt de ernst van de gepleegde feiten en de impact op de slachtoffers, waarbij de rechtbank rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-124255-24; 03-1 17196-24 (ttz. gev.) en 03-273025-23 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 1 december 2025
Tegenspraak
Vonnis (vul parketnummer in)van de rechtbank Den Haag in de (kies tussen de alternatieven)zaken tegen de verdachte:
[de verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres en verblijfsadres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzittingen van 11 juli 2024, 12 september 2024 (pro forma) en 17 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. N.A. Bakker en de raadsman van de verdachte is mr. W.B.O van Soest te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er kort weergegeven op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (met parketnummer 09-124255-24)
feit 1: (medeplegen van) gijzeling van [slachtoffer 1] in de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 in Gouda;
feit 2: (medeplegen van) een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] in de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 in Gouda;
feit 3: (medeplegen van) een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] op 19 maart 2024 in Stolwijk/Gouda;
feit 4: (medeplegen van) opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven/beroofd houden in de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 in Gouda;
feit 5: (medeplegen van) een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 in Gouda;
Dagvaarding II (met parketnummer 03-1 17196-24)
feit 1: het opzettelijk verkopen/afleveren/verstrekken van cocaïne op 10 januari 2024 in Maastricht;
feit 2: het opzettelijk aanwezig hebben van 8,9 gram heroïne en 2,9 gram cocaïne op 10 januari 2024 in Maastricht;
Dagvaarding III (met parketnummer 03-273025-23)
het opzettelijk verkopen/afleveren/verstrekken van cocaïne op 18 oktober 2023 in Maastricht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 en het bij dagvaarding III ten laste gelegde en bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde en het bij dagvaarding II ten laste gelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit bepleit. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte vrijgesproken moet worden van het onder 4 en 5 ten laste gelegde medeplegen. De raadsman heeft zich wat betreft de bewezenverklaring van de bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Vrijspraak
Dagvaarding I feit 1 en dagvaarding III
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde feit en het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat deze feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen. De verdachte zal daarom zonder nadere motivering worden vrijgesproken van deze feiten.
Dagvaarding I feit 2 - Poging tot zware mishandeling
De rechtbank is ook van oordeel dat het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat de verdachte het slachtoffer meerdere malen met zijn hand(en) heeft geslagen tegen zijn hoofd en lichaam. Om van een poging tot zware mishandeling te kunnen spreken, moet de verdachte (voorwaardelijk) opzet hebben gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Daarvoor moet de verdachte minimaal bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat hij dat ernstige letsel had kunnen veroorzaken. Door iemand met de hand tegen het hoofd en het lichaam te slaan heeft de verdachte weliswaar letsel bij het slachtoffer veroorzaakt, maar daardoor nog niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij bij het slachtoffer
zwaarlichamelijk letsel zou veroorzaken. De kans dat door met de blote hand/vuist te slaan of te stompen zwaar lichamelijk letsel wordt veroorzaakt is immers niet aanmerkelijk te noemen. De rechtbank zal de verdachte daarom ook van dit feit vrijspreken.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I: feiten 3, 4 en 5
De rechtbank heeft in bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.5
Bewijsoverwegingen
Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte in de nacht van 18 op 19 maart 2024 [slachtoffer 1] in zijn eigen woning heeft geslagen, meegenomen naar zijn slaapkamer en hem daar heeft vastgebonden op een stoel. Een buurman van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de woning is geweest, waar meerdere jongens aanwezig waren en waar hij [slachtoffer 1] vastgebonden op een stoel heeft aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen en op een stoel heeft vastgebonden, omdat hij geld van hem terug wilde dat hij eerder aan [slachtoffer 1] had uitgeleend.
Op 19 maart 2024 is er omstreeks 15:50 uur gebeld naar de vader van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , vanaf telefoonnummer [telefoonnummer] . [slachtoffer 2] vertelt daarover dat hem werd gezegd dat hij de € 1.200,- die door [slachtoffer 1] was gestolen moest betalen. Er werd hem verteld: ‘Als je niet betaalt, dan kom ik het wel halen, ik weet waar je woont’, gevolgd door zijn adres en verschillende bedreigingen. Het genoemde telefoonnummer staat op naam van de medeverdachte. [slachtoffer 1] , die op het tijdstip van het telefoontje bij zijn vader thuis was, heeft verklaard dat hij de stem van ‘ [naam] ’ herkende. Uit het politie-onderzoek blijkt dat hij daarmee de verdachte bedoelt.
Feit 3 – Alternatief scenario
De verdediging heeft ter zitting naar voren gebracht dat iemand anders dan de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] zou hebben gebeld. Dit alternatieve scenario is verder niet met enig concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken feit onderbouwd, anders dan de verklaring van de verdachte dat hij het niet was. Omdat het gaat om hetzelfde bedrag (€ 1.200,-) als waarover de verdachte heeft verklaard dat hij dat nog terug moest krijgen van [slachtoffer 1] (en zijn handelen jegens [slachtoffer 1] in dezelfde periode daarop gericht was), de vader van de verdachte in de middag na de in de nachtelijke uren tegen [slachtoffer 1] gepleegde feiten is gebeld en [slachtoffer 1] de stem van de verdachte heeft herkend, acht de rechtbank dit door de verdediging geopperde scenario niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt derhalve verworpen.
Medeplegen
De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten en dus of anderen nauw en bewust met hem hebben samengewerkt. Hiervoor is van belang of ook de andere personen een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan het plegen van de feiten.
Feiten 4 en 5
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er andere personen in de woning aanwezig waren en dat zij hebben geholpen om [slachtoffer 1] in de slaapkamer te houden. Zij zouden ook hebben geprobeerd om de buurman buiten de woning te houden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat twee andere in de woning aanwezige personen (Barry en Aromir) er niets mee te maken hadden, dat zij [naam] (de verdachte) hebben geprobeerd tegen te houden toen de verdachte hem wilde aanvallen en dat zij van de verdachte in de woonkamer moesten blijven toen [slachtoffer 1] met de verdachte naar de slaapkamer moest. Dit duidt niet op een bewuste en nauwe samenwerking met de andere in de woning aanwezige personen. Het eventueel buiten de deur houden van de buurman is op zichzelf genomen geen bijdrage die als voldoende substantieel kan worden aangemerkt om te kunnen spreken van medeplegen van de feiten. Voor het buiten de deur willen houden van de buurman kunnen zij ook andere redenen hebben gehad, zodat daaruit niet zonder meer enig opzet op de handelingen van de verdachte jegens [slachtoffer 1] kan worden afgeleid. De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het
medeplegenvan deze feiten.
Feit 3
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ook de poging tot afpersing van [slachtoffer 2] samen en in vereniging heeft gepleegd met een ander, omdat hij de telefoon van iemand anders heeft gebruikt om het slachtoffer te bellen. De rechtbank kan niet vaststellen dat de persoon die zijn telefoon heeft uitgeleend op de hoogte was van het doel van het telefoongesprek en van het kader waarin dat gesprek plaatsvond en dat diegene daar een bijdrage aan wilde leveren. Het enkele beschikbaar stellen van een telefoon is een rol van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van het medeplegen van dit feit. De rechtbank zal de verdachte dan ook partieel vrijspreken van het medeplegen van dit feit.
Mes tonen en/of uitkleden
De rechtbank vindt het aan de verdachte onder 5 ten laste gelegde dwingen van het slachtoffer om zich uit te kleden en het dreigen met een heet gemaakt mes niet wettig en overtuigend bewezen. Het feit dat er op 12 april 2025 (bijna een maand na de pleegdatum) een zwartgeblakerd mes in de woning wordt aangetroffen, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de verdachte op 18 of 19 maart 2024 daadwerkelijk met een heet gemaakt mes heeft gedreigd. Het dossier bevat verder ook geen steunbewijs voor de verklaring van [slachtoffer 1] dat er met een mes is gedreigd. Ook is het slachtoffer de enige die heeft verklaard dat hij zich tijdens de poging tot afpersing heeft moeten uitkleden. Dit gegeven vindt bovendien geen steun in de verklaring van de buurman, die het slachtoffer vastgebonden op een stoel heeft aangetroffen maar niet over een (deels) ontklede toestand van het slachtoffer heeft verklaard. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van deze onderdelen van de tenlastelegging.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, met uitzondering van het medeplegen van die feiten met (een) ander(en) en het eerder genoemde dreigen met een mes en het zich laten uitkleden van het slachtoffer.
3.6
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding II
De rechtbank zal voor de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2300-2024005130, van de politie eenheid Limburg, met bijlagen (pagina 1 t/m 53).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 17 november 2025;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 januari 2024 (p. 5-7);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 januari 2024 (p. 11-15);
4. Een geschrift, te weten een NFiDENT Rapport, opgemaakt op 6 maart 2024 (p. 49);
5. Een geschrift, te weten een NFiDENT Rapport, opgemaakt op 6 maart 2024 (p. 50);
6. Een geschrift, te weten een NFiDENT Rapport, opgemaakt op 6 maart 2024 (p. 51);
7. Een geschrift, te weten een NFiDENT Rapport, opgemaakt op 6 maart 2024 (p. 52);
8. Een geschrift, te weten een NFiDENT Rapport, opgemaakt op 6 maart 2024 (p. 53).
3.7
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
3
hij op 19 maart 2024 te Stolwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, dat aan die [slachtoffer 2] toebehoorde telefonisch contact heeft gezocht met genoemde [slachtoffer 2] en vervolgens tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd:
- [slachtoffer 1] heeft 1200 euro van ons gestolen en jij gaat dat even betalen en
- Als je niet betaalt dan kom ik het wel halen, ik weet waar je woont (waarbij ook het
adres van [slachtoffer 2] werd genoemd) en
- Ik kom eraan, dan maak ik je kankerdood en je vrouw verkracht ik en dat jong
steken we ook dood.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4
hij in de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- mee te nemen naar de slaapkamer en
- te stompen/slaan (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en
- met kabels vast te binden aan een stoel;
5
hij in de periode van 18 maart 2024 tot en met
19maart 2024 te Gouda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een
geldbedrag, dat aan die [slachtoffer 1] toebehoorde genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- heeft meegenomen naar de slaapkamer en
- heeft gestompt/geslagen (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en
- met kabels heeft vastgebonden aan een stoel en
- heeft
gezegddat hij 1200 euro miste en
- tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd ik ga je doodmaken en je gaat je ouders niet meer terug
zien als dat geld niet terugkomt
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding II
1
hij op 10 januari 2024 te Maastricht, opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2
hij op 10 januari 2024 te Maastricht, opzettelijk aanwezig heeft gehad 8,83 gram van een materiaal bevattende heroïne en 2,67 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
De rechtbank heeft de gewichten drugs in het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit verbeterd gelezen, naar aanleiding van de in de bewijsmiddelen genoemde gewichten.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier heeft gevorderd om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 180 dagen met aftrek, waarvan 52 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, onder de bijzondere voorwaarden zoals zij zijn geadviseerd door de reclassering. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 200 uren gevorderd. De officier heeft hierbij, ondanks het opleggen van een straf met toepassing van het volwassenenstrafrecht, rekening gehouden met de oriëntatiepunten voor jeugdstrafrecht, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet in het belang van de verdachte is als een langere gevangenisstraf wordt opgelegd dan hij al in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging vraagt om de eventueel op te leggen werkstraf te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft [slachtoffer 1] beroofd van zijn vrijheid door hem op een stoel vast te binden en heeft hem geprobeerd geld af te persen door hem te slaan en te bedreigen. De verdachte deed dit naar eigen zeggen omdat hij nog geld van het slachtoffer kreeg. De verdachte heeft ook geprobeerd de vader van het slachtoffer af te persen door hem op te bellen en te bedreigen om hetzelfde geldbedrag terug te krijgen. De rechtbank vindt het zeer ernstig dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn eigen woning heeft gestompt en hem op zijn eigen stoel heeft vastgebonden. De verdachte heeft hierbij letsel veroorzaakt bij [slachtoffer 1] die naar aanleiding van dit incident niet meer terug naar zijn eigen woning durfde en bovendien nog steeds last heeft van angsten en herbelevingen. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat ook hij en zijn vrouw heel bang zijn geworden van de bedreigingen die de verdachte heeft geuit, helemaal omdat de verdachte hun adres kende en hun zoon al eerder wat had aangedaan. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij beide slachtoffers zo bang heeft gemaakt, puur omdat hij geld (terug) wilde.
De verdachte heeft daarnaast cocaïne verkocht en cocaïne en heroïne bij zich gehad. Harddrugs zijn stoffen die zeer verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij onderdeel is geweest van de handel in harddrugs in Nederland.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van [geboortedatum 3] 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een vergelijkbaar strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport (psychologisch onderzoek) van 29 juli 2024. Daaruit volgt – kort samengevat – het volgende. Er is sprake van een lichte persoonlijkheidsstoornis met een borderline persoonlijkheidsorganisatie en narcistische en antisociale trekken. De onderzoeker adviseert om de tenlastegelegde feiten (indien bewezen) in verminderde mate toe te rekenen aan de verdachte. Het risico op recidive wordt als matig ingeschat.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 mei 2025 en de update van 13 november 2025. Daaruit volgt – kort samengevat – het advies om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat er geen aanwijzingen zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het contact met de reclassering verloopt naar wens en de verdachte houdt zich over het algemeen aan de afspraken. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een avondklok (met elektronische monitoring), een contactverbod met de slachtoffers en de verplichting om zich in te zetten voor onderwijs en/of een andere dagbesteding.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank neemt de conclusies van de Pro Justitia onderzoeker voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid over en zal de feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank kan, gelet op de ernst van de feiten, niet volstaan met een lichtere straf dan een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. De rechtbank vindt het gelet op de jonge leeftijd van de verdachte, de mate van toerekenbaarheid en de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht (128 dagen) niet passend om een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 180 dagen opleggen, waarvan 52 voorwaardelijk met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke straf een proeftijd van twee jaar verbinden en de voorwaarden zoals zij door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank zal de avondklok voor een maximum van zes maanden opleggen, waarbij de reclassering kan bepalen hoe lang die nog noodzakelijk is en zal geen elektronisch toezicht (een enkelband) opleggen. De verdachte houdt zich tot nu toe aan zijn avondklok, zo blijkt uit het rapport van de reclassering, die op dit moment ook geen tijden meer hanteert. De rechtbank zal hiernaast een werkstraf van 60 uren opleggen, zodat de verdachte ook op dit moment nog de consequenties van zijn acties ervaart. De rechtbank zal een fors lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist, vanwege het feit dat de verdachte van een deel van de feiten is vrijgesproken.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. M.D.A. Stam, hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 1.500,- ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 5.000 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 600,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Beiden hebben verzocht om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Namens [slachtoffer 2] is ook door Slachtofferhulp Nederland in een eerdere fase van de procedure een vordering tot vergoeding van immateriële schade (van een bedrag van € 675,-) ingediend.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] afgewezen moet worden, voor zover die ziet op materiële schade. De officier van justitie vraagt om de vordering tot immateriële schadevergoeding van [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De officier van justitie gaat uit van de door mr. M.D.A. Stam ingediende vordering van [slachtoffer 2] . De officier van justitie vraagt om deze vordering geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover die ziet op materiële schade en om bij het eventueel toewijzen van immateriële schadevergoeding, het gevorderde bedrag minimaal te halveren.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 3.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 1] – materiële schade
De rechtbank zal de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk verklaren, voor zover die betrekking heeft op de materiële schade. De materiële schade bestaat uit schade die zou zijn ontstaan door vernieling van zijn woning. Omdat de vernieling van de woning niet ten laste is gelegd en/of bewezenverklaard, kan de rechtbank niet vaststellen dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezenverklaarde feiten.
[slachtoffer 1] – immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 4 en 5 bewezenverklaarde feiten. Het slachtoffer heeft door dit incident lichamelijk letsel opgelopen en is gediagnostiseerd met PTSS. De rechtbank zal voor immateriële schade nu een bedrag van € 2.500,- toewijzen, waarbij de rechtbank acht heeft geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ (een ordening van smartengeldbedragen), . De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
[slachtoffer 2] – verschillende vorderingen
Er zijn twee vorderingen ingediend namens benadeelde [slachtoffer 2] . Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van Slachtofferhulp laten weten voor het laatst op 11 november 2025 met [slachtoffer 2] te hebben gesproken. Omdat mr. M.D.A. Stam in een brief van 12 november 2025 aangeeft gemachtigd te zijn door [slachtoffer 2] , gaat de rechtbank uit van deze, later ingediende, vordering. De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk verklaren in de eerder (door Slachtofferhulp) ingediende vordering.
[slachtoffer 2] – immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 3 bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt, vanwege de aard en de ernst van de normschending, vast dat [slachtoffer 2] op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hij is niet alleen bedreigd door de verdachte, maar had ook redenen om te vrezen voor vervolgacties. De verdachte had immers de nacht voor het telefoontje zijn zoon al van zijn vrijheid beroofd en geprobeerd hem af te persen. De verdachte was daarnaast op de hoogte van het adres van het slachtoffer. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 600,- aan immateriële schade passend is en zal de vordering geheel toewijzen.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen tot een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit immateriële schade en de vordering van [slachtoffer 2] toewijzen tot een bedrag van € 600,-, bestaande uit immateriële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 19 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bij dagvaarding I onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en de verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.500, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 1] . Als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of het volledige bedrag niet op hem kan worden verhaald, zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 35 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.
De rechtbank zal daarnaast aan de verdachte een verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 600,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] . Als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of het volledige bedrag niet op hem kan worden verhaald, zal gijzeling worden toegepast voor de duur van 12 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat.

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen
(beslaglijst) onder 1 genummerde voorwerp (30 euro) zal worden verbeurdverklaard.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat slechts van € 10,- gesteld kan worden dat dat bedrag is verkregen door een strafbaar feit, dus dat slechts dat deel verbeurd kan worden verklaard en het overige moet worden teruggegeven.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal € 10,- van de op de beslaglijst onder 1 genummerde € 30,- verbeurdverklaren. Dit geld is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien het aan de verdachte toebehoort en dit voorwerp door middel van het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde bewezenverklaarde stafbare feit is verkregen. De rechtbank kan slechts van dit deel vaststellen dat het door middel van het bewezenverklaarde feit is verkregen, nu de koper van de drugs heeft verklaard € 10,- betaald te hebben.
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten van de overige € 20,-.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 282 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en het bij dagvaarding III ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 3, 4 en 5 en de bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan , zoals hierboven in paragraaf 3.7 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Dagvaarding I
Feit 3:
poging tot afpersing;
Feit 4:
het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven/beroofd houden;
Feit 5:
poging tot afpersing;
Dagvaarding II:
Feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van
128 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, van
52 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op de door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende maximaal de eerste zes maanden van de proeftijd,zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht, op door de reclassering te bepalen tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres: [adres] , [postcode] [plaats] ;
3. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de slachtoffers:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1996; en
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 1963;
4. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de reclassering.
geeft opdracht aan Reclassering Nederland, de reclassering, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 14c zesde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte daarnaast tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
30 DAGEN;
de vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
[slachtoffer 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 2.500,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat als volledig verhaal van de hoofdsom van € 2.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 35 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[slachtoffer 2]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 600,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 600,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;
bepaalt dat als volledig verhaal van de hoofdsom van € 600,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de eerder namens hem (door Slachtofferhulp) ingediende vordering tot schadevergoeding;
de inbeslaggenomen goederen
verbeurd verklaren
verklaart verbeurd een deel groot €10,- van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:
30 EUR - PL2300-2024005130-G1669786;
teruggave
gelast de teruggave aan de verdachte van een deel groot €20,- van het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten:
30 EUR - PL2300-2024005130-G1669786;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter, voorzitter,
mr. T.P. Sarneel, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mrs. L.T. Verlinde en M. Wouters, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2025.
Bijlage I
Tekst tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
Dagvaarding I
1
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda,
in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door genoemde De Jong (in zijn eigen woning)
- mee te nemen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) te stompen/slaan (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en/of
- ( vervolgens) (met kabels) vast te binden aan een stoel en/of
- ( vervolgens) meerdere malen te stompen/slaan
met het oogmerk een ander, te weten genoemde [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van een geldbedrag
2
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda,
in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, genoemde [slachtoffer 1]
- in het gezicht althans tegen het hoofd heeft gestompt/geslagen (waardoor [slachtoffer 1] kort bewusteloos is geraakt) en/of (vervolgens)
- meerdere malen op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft gestompt/geslagen (terwijl [slachtoffer 1] was vastgebonden op een stoel) ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
3
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Stolwijk en/of Gouda, in elk geval in
Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) telefonisch contact heeft gezocht met genoemde [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd:
- [slachtoffer 1] heeft 1200 euro van ons gestolen en jij gaat dat even betalen en/of
- Als je niet betaalt dan kom ik het wel halen, ik weet waar je woont (waarbij ook het
adres van [slachtoffer 2] werd genoemd) en/of
- Ik kom eraan, dan maak ik je kankerdood en je vrouw verkracht ik en dat jong
steken we ook dood.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
4
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door genoemde De Jong (in zijn eigen woning)
- mee te nemen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) te stompen/slaan (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en/of
- ( vervolgens) (met kabels) vast te binden aan een stoel en/of
- ( vervolgens) meerdere malen te stompen/slaan
5
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 29 maart 2024 te Gouda
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een gheldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die De Jong en/of een derde toebehoorde(n) genoemde De Jong (in zijn eigen woning)
- heeft meegenomen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) heeft gestompt/geslagen (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en/of
- ( vervolgens) (met kabels) heeft vastgebonden aan een stoel en/of
- heeft gezegt dat hij 1200 euro miste en/of
- genoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen zich uit te kleden en/of
- genoemde [slachtoffer 1] (vervolgens) meerdere malen heeft gestompt/geslagen en/of
- tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd ik ga je doodmaken en je gaat je ouders niet meer terug
zien als dat geld niet terug komt en/of
- een (heet) mes bij het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of (daarbij) heeft gezegd 'Ik ga wat moois in jou schrijven vriend',
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
Dagvaarding II
1
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Maastricht, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op of omstreeks 10 januari 2024 te Maastricht, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 8,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of ongeveer 2,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Dagvaarding III
hij op of omstreeks 18 oktober 2023 te Maastricht opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet