Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsbeslissing
De rechtbank is van oordeel dat uitsluitend op basis van het langsgaan van de familieleden bij de woning van verdachte, dat gezien de aanhouding niet uitzonderlijk is, en hun houding ten tijde van dat bezoek niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte dus op de hoogte was van in zijn kamer aanwezige drugs.
Het schoudertasje waarin de cocaïne is gevonden lag in de kamer van verdachte, waarvan hij de sleutel had. Hij had er dan ook de beschikkingsmacht over. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte. De verdachte was volgens zijn verklaring immers op de hoogte van het schoudertasje in zijn woning en hij heeft niet gecontroleerd wat er in dat tasje zat (en dus niet de minimaal vereiste zorgvuldigheid betracht door vragen te stellen over de inhoud van dat tasje of zich van de inhoud ervan op een andere manier op de hoogte te stellen). Daar komt bij dat de verdediging ook niet uitdrukkelijk onderbouwd heeft aangevoerd dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte op andere gronden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aanwezig hebben van 68,2 gram cocaïne wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De op te leggen straf
7.De vorderingen van de benadeelde partijen
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
120 UREN;
60 DAGEN;
46 dagen), bij de eventuele tenuitvoerlegging van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;
gehele taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
één jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;