ECLI:NL:RBDHA:2025:22695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
09-140264-24 & 09-263521-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van pogingen tot afpersing en opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven; veroordeling voor het aanwezig hebben van cocaïne

Op 1 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte, geboren in 2006, die werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder pogingen tot afpersing en het opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid beroven van twee slachtoffers in maart 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was voor de beschuldigingen van medeplegen van deze feiten, waardoor de verdachte van deze aanklachten werd vrijgesproken. De rechtbank concludeerde dat de verdachte niet substantieel had bijgedragen aan de gepleegde feiten, en dat de getuigenverklaringen en telefoongesprekken niet voldoende bewijs boden voor een veroordeling.

Daarnaast was de verdachte ook aangeklaagd voor het opzettelijk aanwezig hebben van 68,2 gram cocaïne op 18 september 2025. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel degelijk verantwoordelijk was voor het aanwezig hebben van de cocaïne, aangezien deze in zijn kamer was aangetroffen. De rechtbank legde een geheel voorwaardelijke taakstraf op van 120 uren, met een proeftijd van één jaar, en bepaalde dat de verdachte zich moest houden aan verschillende voorwaarden, waaronder het volgen van onderwijs en het ondergaan van behandeling. De rechtbank verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen, omdat de verdachte was vrijgesproken van de feiten waarop deze vorderingen betrekking hadden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-140264-24 & 09-263521-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 1 december 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] ,
verblijfsadres: [adres 2] , [postcode 2] [verblijfplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzitting van 17 november 2025 (inhoudelijke behandeling).
De officier van justitie in deze zaak is mr. N.A. Bakker en de raadsman van de verdachte is mr. A.C. Vingerling te Utrecht. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, waarbij dagvaarding I is gewijzigd op de terechtzitting van 17 november 2025. De tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er kort weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (met parketnummer 09-140264-24)
feit 1: het medeplegen van het opzettelijk [slachtoffer 1] van zijn vrijheid beroven/beroofd houden in de periode van 18 tot en met 19 maart 2024 in Gouda, dan wel medeplichtigheid daaraan;
feit 2: het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer 1] in de periode van 18 tot en met 19 maart 2024 in Gouda, dan wel medeplichtigheid daaraan;
feit 3: het medeplegen van een poging tot afpersing van [slachtoffer 2] op 19 maart 2024 in Stolwijk/Gouda.
Dagvaarding II (met parketnummer 09-263521-25)
het opzettelijk aanwezig hebben van 68,2 gram cocaïne op 18 september 2025 in Gouda.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte medepleger is van alle bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden. Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van alle feiten bepleit. Op specifieke (bewijs)verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
Dagvaarding I
3.3
Vrijspraak
De rechtbank kan op basis van het dossier het volgende vaststellen. Het slachtoffer van de eerste twee feiten, [slachtoffer 1] , is in de nacht van 18 maart 2024 op 19 maart 2024 in zijn eigen woning geslagen, meegenomen naar zijn slaapkamer en daar vastgebonden op een stoel. [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven, omdat hij [slachtoffer 1] € 1200,-- had uitgeleend en hij dat (nog) niet terug had gekregen. Een buurman van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de woning is geweest, dat daar meerdere jongens aanwezig waren en dat hij [slachtoffer 1] daar vastgebonden heeft aangetroffen [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij met de medeverdachte ter plaatse een afspraak gemaakt heeft om op 20 maart € 500,- terug te betalen.
Op 19 maart 2024 is er omstreeks 15:50 uur gebeld naar de vader van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , vanaf telefoonnummer [telefoonnummer] . [slachtoffer 2] heeft daarover verklaard dat hem werd gezegd dat hij de € 1200,- die door [slachtoffer 1] was gestolen moest betalen. Er werd hem verteld: ‘Als je niet betaalt, dan kom ik het wel halen, ik weet waar je woont’, gevolgd door zijn adres en verschillende andere bedreigingen. Het genoemde telefoonnummer is het telefoonnummer van de verdachte. [slachtoffer 1] , die op het tijdstip van het telefoontje bij zijn vader thuis was, heeft verklaard dat hij de stem van ‘ [naam 1] ’ herkende. Uit het politie-onderzoek blijkt dat hij daarmee de medeverdachte bedoelt.
Later op 19 maart 2024 is via een telefoontap gehoord dat de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] onder andere zegt: (om 19:35 uur) ‘kom naar die hoek dan gaan we naar [slachtoffer 1] ’, (om 23:13 uur) ‘heb je gezien snap inval bij [slachtoffer 1] ’ en (om 23:13, nadat hem gevraagd was of hij daarbinnen was) ‘ja, ah man ik ben net weggegaan.’
Feiten 1 en 2- [slachtoffer 1]
De rechtbank moet de vragen beantwoorden of de verdachte een rol heeft gehad die aangemerkt kan worden als medeplegen (en zo niet, als medeplichtigheid) van het beroven/beroofd houden van zijn vrijheid van [slachtoffer 1] en van de poging om hem af te persen.
Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij rond de tijd dat de eerste twee feiten zijn gepleegd in het flatgebouw was waar [slachtoffer 1] woonde, in het trappenhuis en op de galerij, maar niet in de woning van [slachtoffer 1] . Op camerabeelden is de verdachte (zo verklaart hij zelf) rond het tijdstip van feiten 1 en 2 te zien in de lift van de flat waar [slachtoffer 1] woont. Toen (screenshots van) deze beelden aan [slachtoffer 1] werden getoond, heeft [slachtoffer 1] de verdachte ook niet herkend. [slachtoffer 1] heeft verder ook niets verklaard over de aanwezigheid van de verdachte in de woning. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat de verdachte in de woning is geweest en een bijdrage heeft geleverd aan de daar gepleegde feiten.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de getapte telefoongesprekken aannemelijk is geworden dat de verdachte degene was die de € 500,- van [slachtoffer 1] zou gaan innen in de avond van 19 maart 2025. De verdachte heeft verklaard dat de getapte gesprekken door andere personen zijn gevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de gesprekken, nog daargelaten of ze gevoerd zijn door de verdachte of niet, onvoldoende specifiek zijn om te kunnen vaststellen dat de verdachte degene zou zijn die de € 500,- zou gaan innen. In de gesprekken wordt wel gesproken over [slachtoffer 1] , maar niet over de € 500,-, de € 1.200,- of überhaupt over het ophalen van geld. Ook het feit dat er op 19 maart 2024 gebeld is naar de vader van [slachtoffer 1] met de telefoon van de verdachte, maakt op zichzelf nog niet dat hij aan de vrijheidsberoving en poging tot afpersing van [slachtoffer 1] een substantiële bijdrage heeft geleverd. Evenmin kan op basis van het dossier worden vastgesteld dat verdachte behulpzaam is geweest bij de feiten 1 en 2 op enige andere manier. De rechtbank komt, gelet op het vorenstaande, tot de slotsom dat verdachte van hetgeen aan hem onder dagvaarding I onder feit 1 en 2 ten laste is gelegd moet worden vrijgesproken.
Feit 3 – [slachtoffer 2]
Daarnaast moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte medepleger is geweest van de poging tot afpersing van [slachtoffer 2] waartoe er sprake moet zijn geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte(n). De verdachte heeft het telefoontje naar [slachtoffer 2] niet zelf gepleegd, zo blijkt uit de verklaring van [slachtoffer 1] .
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat er geen aanwijzingen waren dat de verdachte niet bij het telefoontje aanwezig was, dat het gaat over hetzelfde bedrag (€ 1.200,-) dat de medeverdachte wilde innen en dat de verdachte daarvan de eerste € 500,- zou gaan ophalen op 19 maart 2024. Ook indien de verdachte bij het bewuste telefoontje aanwezig is geweest (wat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld), kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat de verdachte op de hoogte was van het doel van het telefoongesprek met [slachtoffer 2] en daar een bijdrage aan wilde leveren. Ook kan de rechtbank, zoals eerder al is overwogen, niet aannemen dat de verdachte het bedrag van € 500,- zou gaan innen. De verdachte stelt dat hij zijn telefoon regelmatig uitleende. Het enkele beschikbaar stellen van een telefoon is een bijdrage die van onvoldoende betekenis is om te kunnen spreken van het medeplegen van dit feit. De rechtbank komt, gelet op het vorenstaande, tot de slotsom dat verdachte van hetgeen aan hem onder dagvaarding I onder 3. ten laste is gelegd moet worden vrijgesproken.
Dagvaarding II
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025317366, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 39).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 19 september 2025, voor zover inhoudende (p. 23-29):
Op donderdag 18 september 2025 omstreeks 15.15 uur heeft de teamleider van dejongerenopvang aan de [adres 3] te Gouda een melding bij onze meldkamer gedaan wegens het aantreffen van mogelijk twee tot drie kilo harddrugs in een kamer. De teamleider meldde dat de bewoner van kamer [huisnummer] betrof [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006.
Mevrouw [naam 2] en haar medewerker stonden toen in kamer [huisnummer] aan de [straatnaam] te Gouda met de kamerdeur open. Op de vloer, midden in de kamer wees mevrouw [naam 2] mij een blauw plastictasje met twee bruine zakken erin en een schoudertasje aan. Hierop nam ik de tassen met inhoud in beslag.
[verdachte] beschikte over een sleutel van zijn kamer en van de portiekdeur.
Om de rust en de veiligheid van de jongeren en de medewerkers te waarborgen besloot de teamleider mevrouw [naam 2] in het bijzijn van haar medewerker de kamer van [verdachte] nummer [huisnummer] te controleren. Mevrouw [naam 2] maakte gebruik van een reserve sleutel om de kamer te betreden. In een kleidingkast achter de kamerdeur trof de medewerker een schoudertas met een harde witte brok van ongeveer 50 gram en een zakje bruin gruis erin.
2. Een geschrift, te weten het NFiDENT rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt op 6 oktober 2025, voor zover inhoudende (politie registratienummer 251001-1853BVH2025316961):
KenmerkAATK4776NL
Omschrijving FOpoeder en brokvormig, wit, uit 68,2 gram; aantal
bemonsteringen in onderzoek: een
Conclusiebevat cocaïne
3.5
Bewijsoverwegingen
Opzettelijk aanwezig hebben cocaïne
In de woning van de verdachte is 68,2 gram cocaïne aangetroffen. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het aanwezig hebben van die cocaïne. Daarvoor is noodzakelijk dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de cocaïne. De verdachte heeft verklaard dat hij op de hoogte was dat het tasje in zijn woning lag maar dat hij niet wist wat er in het schoudertasje zat en dat dat tasje door iemand anders in zijn woning is gelegd. Het dossier bevat verder geen aanwijzingen dat de verdachte wist van de inhoud van de tas of daarover vragen heeft gesteld. Het is onvoldoende duidelijk onder welke omstandigheden het tasje in de woning van de verdachte terecht is gekomen en of de verdachte gezien die omstandigheden alert had moeten zijn op de mogelijke inhoud daarvan. De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de familie van de verdachte kort na zijn aanhouding (voor een ander feit) bij de woning van de verdachte langs is gegaan om kleding op te halen en daarbij dwingend en vervelend zou zijn geweest tegen het personeel. Uit deze omstandigheden zou volgens de officier van justitie blijken dat zij en de verdachte wisten dat hij drugs in zijn woning had. Nadere informatie over feiten en omstandigheden rond dat familiebezoek ontbreken echter.
De rechtbank is van oordeel dat uitsluitend op basis van het langsgaan van de familieleden bij de woning van verdachte, dat gezien de aanhouding niet uitzonderlijk is, en hun houding ten tijde van dat bezoek niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte dus op de hoogte was van in zijn kamer aanwezige drugs.
Niet-opzettelijk aanwezig hebben cocaïne
Bij het niet-opzettelijk aanwezig hebben van drugs is het voldoende voor een bewezenverklaring om vast te stellen dat de verdachte de drugs aanwezig had, tenzij aannemelijk is geworden dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld. De cocaïne bevond zich in dit geval in de machtssfeer van de verdachte, namelijk in zijn kamer.
Het schoudertasje waarin de cocaïne is gevonden lag in de kamer van verdachte, waarvan hij de sleutel had. Hij had er dan ook de beschikkingsmacht over. Het is niet aannemelijk geworden dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte. De verdachte was volgens zijn verklaring immers op de hoogte van het schoudertasje in zijn woning en hij heeft niet gecontroleerd wat er in dat tasje zat (en dus niet de minimaal vereiste zorgvuldigheid betracht door vragen te stellen over de inhoud van dat tasje of zich van de inhoud ervan op een andere manier op de hoogte te stellen). Daar komt bij dat de verdediging ook niet uitdrukkelijk onderbouwd heeft aangevoerd dat er sprake was van afwezigheid van alle schuld bij de verdachte op andere gronden. De rechtbank is daarom van oordeel dat het aanwezig hebben van 68,2 gram cocaïne wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.6
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 18 september 2025 te Gouda, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, te weten 68,2 gram, cocaïne aanwezig heeft gehad

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 100 dagen, waarvan 54 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie verzoekt om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 100 uren gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, verzocht om de straf te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feitDe verdachte heeft 68,2 gram cocaïne in zijn woning aanwezig gehad. Harddrugs zijn stoffen die zeer verslavend werken en schadelijk zijn voor de gezondheid. Het is daarom ernstig dat de verdachte een vrij grote hoeveelheid cocaïne in zijn woning had liggen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 22 oktober 2025. Daar blijkt uit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 14 november 2025 en de mondelinge toelichting die daarop door de raadsvertegenwoordiger als deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt – kort samengevat – het advies om de verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf op te leggen onder bijzondere voorwaarden. De verdachte heeft tijdens zijn voorlopige hechtenis in het PPC (Penitentiair Psychiatrisch Centrum) gezeten, maar heeft inmiddels zijn medicatie afgebouwd en is gemotiveerd voor behandeling (bijvoorbeeld van FACT). De verdachte heeft inmiddels (zo goed als) een baan en woont bij zijn ouders. De Raad had grote zorgen over de verdachte op alle levensgebieden en er leek sprake van een neerwaartse spiraal. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis (op 22 oktober 2025) van de verdachte is er een positieve ontwikkeling zichtbaar, waarbij de verdachte baat heeft gehad bij hulpverlening om zijn leven te structureren. De Raad ziet dat deze ontwikkeling nog fragiel is en denkt dat de verdachte de komende periode nog ondersteuning nodig heeft om de positieve veranderingen in stand te houden.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen. De rechtbank ziet aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen in de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijkheid van de dader.
De verdachte was pas 19 jaar ten tijde van het plegen van het feit en was een first offender. Uit het rapport van de Raad blijkt dat de verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 22 oktober 2025, een voorzichtige positieve lijn laat zien, maar dat daarbij hulp van buiten nodig is om zijn leven te structureren. De verdachte is psychisch kwetsbaar en nog pedagogisch beïnvloedbaar, bijvoorbeeld door zijn coach en FACT-behandeling. De rechtbank past daarom het jeugdstrafrecht toe.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft, naast het hiervoor genoemde, ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor het aanwezig hebben vanaf 25 gram harddrugs taakstraffen worden opgelegd vanaf 100 uur.
In dit geval houdt de rechtbank rekening met het feit dat de verdachte vrijgesproken wordt van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten, maar daarvoor wel in voorlopige hechtenis heeft verbleven en daarvan negatieve gevolgen heeft ondervonden.
De rechtbank zal daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf opleggen van 120 uren, met daarbij de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd verbinden van één jaar, om te zorgen dat die voorwaarden in verhouding staan tot de gepleegde overtreding.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe rechtbank zal de voorwaarden niet dadelijk uitvoerbaar verklaren, zoals de officier van justitie heeft verzocht te doen, omdat de verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. M.D.A. Stam, hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. [slachtoffer 1] heeft een bedrag van € 1.500,- ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 5.000 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. [slachtoffer 2] heeft een bedrag van € 600,- ter vergoeding van immateriële schade gevorderd. Beiden hebben verzocht om de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte van de feiten waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.
Dit brengt mee dat de benadeelde partijen moeten worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
77c, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.7 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
120 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
60 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van
46 dagen), bij de eventuele tenuitvoerlegging van deze werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag;
bepaalt dat deze
gehele taakstrafniet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
één jaarvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij (GGZ Reclassering) Fivoor op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen en/of zich inzet voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding, alles in overleg met de reclassering;
3. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach van Next St3p of een soortgelijke instelling;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan GGZ-behandeling en/of forensische behandeling, zoals aangewezen door de reclassering;
geeft opdracht aan (GGZ Reclassering) Fivoor om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door reclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de vorderingen van de benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. T.P. Sarneel, kinderrechter, voorzitter,
mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel, kinderrechter,
en mr. R.J. Wortelboer, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mrs. L.T. Verlinde en M. Wouters, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 december 2025.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlasteleggingen
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I (met parketnummer 09-140264-24)
1. primair)
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of
beroofd gehouden immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- met meerdere personen opgewacht en/of
- meegenomen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) gestompt/geslagen (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en/of
- ( vervolgens) (met kabels) vastgebonden aan een stoel en/of
- ( vervolgens) meerdere malen te gestompt/geslagen en/of
- gesprobeerd een andere persoon (die [slachtoffer 1] wilde helpen) te beletten de
woning te betreden;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te
Gouda tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of
beroofd gehouden, door genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- mee te nemen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) te stompen/slaan (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt) en/of
- ( vervolgens) (met kabels) vast te binden aan een stoel en/of
- ( vervolgens) meerdere malen te stompen/slaan
bij/tot het plegen van welk misdrijf verdachte en/of zijn medeverdachte(n) toen en
daar opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of gelegenheid en/of middelen
en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, door:
- met meerdere personen naar de woning van genoemde [slachtoffer 1] te gaan (terwijl hij
zelf niet thuis was) en/of
- de woning te betreden en/of
- genoemde [slachtoffer 1] daar op te wachten en/of
- gedurende de handelingen van [medeverdachte] in de woning te blijven en/of
- te proberen een andere persoon (die [slachtoffer 1] wilde helpen) te beletten de woning
te betreden;
2
hij in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 19 maart 2024 te Gouda
tezamen en in vereniging met een of meer anderen. althans alleen ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed. dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n), immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn rnededader(s) genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- met meerdere peronen opgewacht en/of
- meegenomen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) gestomptlgeslagen (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt)
en/of
- ( vervolgens) (met kabels) vastgebonden aan een stoel en/of
- gezegd dat hij verdachte en/of een van zijn mededader(s) 1200 euro miste en/of
- genoemde [slachtoffer 1] gedwongen zich uit te kleden en/of
- genoemde [slachtoffer 1] (vervolgens) meerdere malen gestompt/geslagen en/of
- tegen [slachtoffer 1] gezegd ik ga je doodmaken en je gaat je ouders niet meer terug
zien als dat geld niet terug komt en/of
- een (heet) mes bij het gezicht van [slachtoffer 1] gehouden en/of (daarbij) gezegd ‘Ik ga wat moois in jou schrijven vriend en/of
- geprobeerd een andere persoon (die [slachtoffer 1] wilde helpen) te beletten de woning te betreden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 18 maart 2024 tot en met 29 maart 2024 te
Gouda tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 1] en/of een derde toebehoorde(n)
genoemde [slachtoffer 1] (in zijn eigen woning)
- heeft meegenomen naar de slaapkamer en/of
- ( vervolgens) heeft gestompt/geslagen (waardoor hij kort bewusteloos is geraakt)
en/of
- ( vervolgens) (met kabels) heeft vastgebonden aan een stoel en/of
- heeft gezegd dat hij 1200 euro miste en/of
- genoemde [slachtoffer 1] heeft gedwongen zich uit te kleden en/of
- genoemde [slachtoffer 1] (vervolgens) meerdere malen heeft gestompt/geslagen en/of
- tegen [slachtoffer 1] heeft gezegd ik ga je doodmaken en je gaat je ouders niet meer terug
zien als dat geld niet terug komt en/of
- een (heet) mes bij het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gehouden en/of (daarbij) heeft
gezegd 'Ik ga wat moois in jou schrijven vriend'
bij/tot het plegen van welk misdrijf verdachte en/of zijn medeverdachte(n) toen en
daar opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of gelegenheid en/of middelen
en/of inlichtingen heeft/hebben verschaft, door:
- met meerdere personen naar de woning van genoemde [slachtoffer 1] te gaan (terwijl hij
zelf niet thuis was) en/of
- de woning te betreden en/of
- genoemde [slachtoffer 1] daar op te wachten en/of
- gedurende de handelingen van [medeverdachte] in de woning te blijven en/of
- te proberen een andere persoon (die [slachtoffer 1] wilde helpen) te beletten de woning
te betreden en/of
- later op de dag terug te komen naar de woning om geld in ontvangst te nemen;
3
hij op of omstreeks 19 maart 2024 te Stolwijk en/of Gouda, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen. althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorde(n) immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s)
- telefonisch contact gezocht met genoemde [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) tegen [slachtoffer 2] gezegd:
- [slachtoffer 1] heeft 1200 euro van ons gestolen en jij gaat dat even betalen en/of
- Als je niet betaalt dan kom ik het wel halen, ik weet waar je woont (waarbij ook het
adres van [slachtoffer 2] werd genoemd) en/of
- Ik kom eraan. dan maak ik je kankerdood en je vrouw verkracht ik en dat jong
steken we ook dood.
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Dagvaarding II (met parketnummer 09-263521-25)
hij op of omstreeks 18 september 2025 te Gouda, in elk geval in Nederland
al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 68,2 gram,
althans een hoeveelheid (van een materiaal bevattende) cocaine aanwezig heeft
gehad