ECLI:NL:RBDHA:2025:22698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
NL:TZ:250202236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 292 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord wegens onvoldoende maximaal haalbaar voorstel

Verzoeker bevindt zich in een problematische schuldensituatie met een totale schuldenlast van €17.027,55 verdeeld over negentien schuldeisers. Hij heeft een schuldregeling voorgesteld waarbij schuldeisers over 18 maanden hun vorderingen geheel of gedeeltelijk zouden kwijtschelden, gebaseerd op zijn toenmalige PW-uitkering. Niet alle schuldeisers gingen hiermee akkoord, waarop verzoeker de rechtbank verzocht om een dwangakkoord op te leggen.

De rechtbank stelde vast dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de gemeente, was uitgevoerd en dat het voorstel echter niet het maximaal haalbare was. Verzoeker is inmiddels voltijds werkzaam en volgt een studie met baangarantie, waardoor zijn toekomstige afloscapaciteit zal stijgen. De rechtbank oordeelde dat het voorstel onvoldoende rekening houdt met deze verbeterde financiële situatie.

Daarom is het niet onredelijk dat schuldeisers weigeren in te stemmen met het voorstel. Het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord wordt afgewezen. Verzoeker behoudt het recht om een afzonderlijk verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in te dienen, waarover de rechtbank in een apart vonnis zal beslissen.

Uitkomst: Het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord wordt afgewezen omdat het voorstel niet het maximaal haalbare is.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummer: NL:TZ:250202236
vonnis van 24 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [verzoeker] ,
tegen
Anders Medical Factoring, vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarder LAVG Groningen,
gevestigd te Vianen (NB),
hierna: Anders,
en
CE Credit Management, vertegenwoordigd door Gerechtsdeurwaarder LAVG Groningen,
gevestigd te Rotterdam,
hierna: CE Credit,
verweersters.
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Hij heeft een voorstel (nulaanbod) gedaan aan zijn schuldeisers. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoeker] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 17.027,55 aan negentien schuldeisers. Het is [verzoeker] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] heeft hij voor het laatst op 16 mei 2025 een schuldregeling aangeboden (nulaanbod én prognoseakkoord). Dit voorstel houdt in dat over een periode van 18 maanden de vordering door de schuldeisers geheel wordt kwijtgescholden, tenzij (uiteindelijk) een deel van de vordering kan worden voldaan. In dat geval zou het resterende deel door de schuldeiser moeten worden kwijtgescholden. Het voorstel is gebaseerd op de (toekomstige) afloscapaciteit van [verzoeker] op basis van zijn inkomen. Dat betekent dat de afloscapaciteit (en daarmee ook de uiteindelijke uitkering aan de schuldeisers) eventueel hoger of lager kan uitvallen.
1.2.
Anders is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan Anders van € 480,86. Dat is 2,82% van de totale schuldenlast.
1.3.
CE Credit is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoeker] heeft een schuld aan CE Credit van € 1.055,75. Dat is 6,2% van de totale schuldenlast.
1.4.
Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft [verzoeker] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil hij dat de rechtbank verweersters dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil hij worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoeker] zijn behandeld op de zitting van 17 november 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoeker] ,
- [naam] , schuldhulpverlener van de [gemeente] .
2.2.
Verweersters zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen. Zij hebben op 11 november 2025 tezamen schriftelijk verweer gevoerd.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoeker] stelt dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens hem heeft hij al het mogelijke gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden en kan hij niet meer aanbieden dan hij heeft gedaan.
3.2.
Verweersters hebben in hun verweerschrift van 11 november 2025 diverse argumenten aangevoerd waarom zij niet instemmen met de aangeboden schuldregeling.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoeker] om een dwangakkoord op te leggen afwijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweersters weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de [gemeente] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarde(n), namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoeker] zelf, van de weigerende schuldeiser(s) en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier niet op zijn plaats is.
[verzoeker] heeft niet het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoeker] aan zijn schuldeisers heeft gedaan is niet het maximaal haalbare. Het voorstel is gebaseerd op de PW-uitkering die [verzoeker] voorheen ontving. Op grond van deze inkomsten was geen sprake van afloscapaciteit en is een nulaanbod gedaan. Het is de rechtbank gebleken dat [verzoeker] inmiddels (en doorgaans voltijds) werkzaam is en een studie met baangarantie volgt. [verzoeker] verwacht zijn studie op korte termijn succesvol te kunnen afronden, een nieuwe baan te kunnen aanvaarden en voltijds te (gaan) werken. Daarmee zal het inkomen en de afloscapaciteit naar verwachting stijgen.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel dat door [verzoeker] aan zijn schuldeisers is gedaan niet het maximale is waartoe [verzoeker] financieel in staat kan worden geacht. Daarvan zou eerst sprake zijn wanneer op basis van een fulltime inkomen een aanbod wordt gedaan.
Het is niet onredelijk dat verweersters hebben geweigerd met de schuldregeling in te stemmen
4.7.
Tegen de hiervoor geschetste achtergrond is het ook niet onredelijk dat verweersters hebben geweigerd met de aangeboden schuldregeling in te stemmen.
Argumenten verweersters
4.8.
Omdat de rechtbank op grond van het voorgaande al tot afwijzing van het verzoek tot het opleggen van het dwangakkoord komt, is het niet nodig de andere argumenten op grond waarvan verweersters niet instemmen met de aangeboden schuldregeling te bespreken.
Op het WSNP-verzoek wordt in een apart vonnis beslist
4.9.
[verzoeker] heeft op de zitting laten weten het verzoek om te worden toegelaten tot WSNP te handhaven als het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord wordt afgewezen. De rechtbank zal op dat verzoek in een apart vonnis beslissen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord af.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met F.J. Knaap LL.B., griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan verzoeker gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag. Dit kan alleen indien het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ook door de rechtbank is afgewezen en verzoeker tegelijk hoger beroep instelt tegen die afwijzing (art. 292 lid 3 Fw Pro).