In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 10 november 2025 een beschikking gegeven inzake een opvolgende rechterlijke machtiging voor de cliënt, geboren in 1946, die lijdt aan Alzheimer dementie. Het verzoek tot machtiging werd ingediend door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op 28 oktober 2025, na afloop van een eerdere machtiging die op 23 oktober 2025 was verlopen. De rechtbank heeft de aanvraag als opvolgende machtiging behandeld, ondanks de termijnoverschrijding, en heeft geoordeeld dat de voortzetting van het verblijf in een zorgaccommodatie noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 10 november 2025 is de cliënt, bijgestaan door haar advocaat, gehoord. De advocaat heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de machtiging, maar heeft wel aangevoerd dat de aanvraag als eerste aanvraag moet worden behandeld vanwege de termijnoverschrijding. De rechtbank heeft in haar beoordeling verwezen naar een eerdere uitspraak van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat de termijnoverschrijding in mindering moet worden gebracht op de geldigheidsduur van de machtiging.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de cliënt lijdt aan een psychogeriatrische aandoening, wat leidt tot ernstig nadeel, waaronder risico op lichamelijk letsel en maatschappelijke teloorgang. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen minder ingrijpende mogelijkheden zijn om het ernstig nadeel te voorkomen en heeft de machtiging verleend voor de duur van twee jaar, tot en met 23 oktober 2027. De beschikking is uitgesproken in het openbaar, waarbij het rechtsmiddel van cassatie openstaat.