De rechtbank Den Haag behandelde op 10 november 2025 het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) tot het verlenen van een opvolgende rechterlijke machtiging voor het verblijf van cliënt in een zorgaccommodatie. Cliënt lijdt aan Alzheimer dementie, wat leidt tot ernstig nadeel zoals afasie, apraxie, valgevaar, en risico op maatschappelijke teloorgang en zelfverwaarlozing.
De aanvraag voor de opvolgende machtiging was ingediend op 28 oktober 2025, vijf dagen na afloop van de vorige machtiging. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:227) en behandelde de aanvraag als opvolgend, waarbij de termijnoverschrijding werd verrekend in de duur van de machtiging.
Cliënt verzette zich tegen het verblijf, vooral door fysiek verzet bij de uitgang van de accommodatie. Desondanks oordeelde de rechtbank dat het verblijf noodzakelijk en geschikt is om ernstig nadeel te voorkomen, en dat er geen minder ingrijpende alternatieven zijn.
De rechtbank verleende de opvolgende machtiging voor de duur van twee jaar, tot en met 23 oktober 2027, en wees het meer of anders verzochte af. Tegen deze beschikking staat cassatie open.