ECLI:NL:RBDHA:2025:22832

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
09/155686-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 289 SrArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 55 Wet wapens en munitie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling moord en verboden wapenbezit met gevangenisstraf van 21 jaar

Op 20 mei 2025 heeft de verdachte in Den Haag het slachtoffer meerdere malen met een vuurwapen beschoten, waarbij het slachtoffer is overleden. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte met voorbedachte rade handelde en veroordeelt hem tot 21 jaar gevangenisstraf.

De rechtbank baseerde haar oordeel op getuigenverklaringen, camerabeelden, forensisch onderzoek en schotrestenanalyse. De verdediging voerde noodweer en noodweerexces aan, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank stelde vast dat de verdachte doelbewust en koelbloedig handelde zonder enige aanwijzing van een worsteling of directe bedreiging.

De nabestaanden vorderden schadevergoeding voor overlijdensschade, affectieschade, schokschade en overige kosten. De rechtbank kende een deel van de vorderingen toe, waarbij zij eigen onderzoek deed naar de toewijsbaarheid en de omvang van het gederfde levensonderhoud. Voor sommige posten verklaarde de rechtbank de benadeelden niet-ontvankelijk, verwijzend naar de burgerlijke rechter. De verdachte werd tevens veroordeeld tot betaling van schadevergoedingsmaatregelen aan de Staat ten behoeve van de benadeelden.

De rechtbank benadrukte de ernst van het misdrijf, het grote leed voor de nabestaanden en de maatschappelijke impact. Er waren geen strafverminderende omstandigheden. De opgelegde straf is in overeenstemming met de zwaarte van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 jaar gevangenisstraf voor moord met voorbedachte rade en verboden wapenbezit; vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/155686-25
Datum uitspraak: 3 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1986 te [geboorteplaats] ,
laatstelijk verblijvende op het adres [adres] , [postcode] [plaats 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 2] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C.M. Beneken genaamd Kolmer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.R. Mantz naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 19 november 2025 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere malen, althans eenmaal, in het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is
overleden;
2
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie
III, onder 1, te weten een pistool, van het merk CZ, model VZOR 70, kaliber 7.65mm zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte vrijgesproken moet worden van de onder 1 ten laste gelegde moord, omdat geen sprake is geweest van voorbedachte raad. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde verboden wapenbezit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Op specifieke standpunten van de raadsman zal, indien nodig, hieronder worden ingegaan.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder 2 tenlastegelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025166549, van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 486).
Ten aanzien van feit 1:
1. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 21 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 122-123):
A: Met wie ik dat probleem heb gehad, [slachtoffer] , die ik heb neergeschoten, die zei dat hij mij zocht. Ik wist waar zijn auto stond, dus heb ik een briefje achtergelaten, dat hij een oude schuld bij mij heeft. Daarop stond mijn nummer, en bel me maar, en zo heeft hij mij gebeld. Ik ga daarheen naar de Zwartsluisstraat. [slachtoffer] stond voor mij in het midden. Ik richtte op hem, en schoot laag, in zijn buik. Toen viel die. Daarna heb ik meerdere keren geschoten. Toen hij viel had hij een capuchon op zijn hoofd. Toen heb ik wel op die capuchon gericht.
V: Maar dan weet je wel dat daarin het hoofd van diegene zit toch? En dat je dan dus waarschijnlijk het hoofd raakt?
A: Ja, ja
V: Heb je dan ook echt op zijn hoofd gericht, met als doel hem te raken?
A: Volgens mij heb ik gewoon mijn magazijn leeggeschoten
V: Maar met welk doel?
A: Hem verwonden, van hem af zijn.
V: Wat deed je nadat hij viel?
A: Toen lag hij op zijn zij, met die capuchon op zijn hoofd, en heb ik daarop gericht.
V: Dus op zijn hoofd dan, hoeveel keer?
A: Twee, drie keer misschien.
2. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 21 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 43-52):
A: Mijn vader heeft een briefje onder de ruitenwisser gezien. Het briefje was in het Turks dat je bij mij schulden hebt en mij moet bellen. Mijn vader heeft gebeld.
Mijn vader vroeg waarom, ik ken jou niet. Hij zei ik ben [de verdachte] . Mijn neef had via via met [naam 1] gebeld. Hij bood aan om naar ons toe te komen en mij en mijn oom gerust te stellen. Er is eerst een andere persoon gekomen, genaamd [naam 2] . Toen zagen we [naam 1] lopen. [naam 2] zegt: dit is [naam 1] . Mijn vader wilde hem een hand geven, in plaats van dat [naam 1] hem een hand geeft, pakt hij een wapen en schiet op hem. Hij begon meteen te schieten. Gelijk.
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , opgemaakt op 8 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 473-476):
In mijn eerdere verklaringen heb ik gezegd dat de schutter “ [naam 1] ” heet, maar toen wist ik nog niet dat hij [de verdachte] heet. Op de dag van de condoleance werd de achternaam van de schutter genoemd, namelijk [de verdachte] . Ik ben toen gaan zoeken op
Facebook. Omdat ik wist dat [de verdachte] had gebeld met mijn vader heb ik gezocht op “ [de verdachte] ”. Bij het zien van de foto van [de verdachte] wist ik 100 procent zeker dat hij mijn vader heeft doodgeschoten en niet [naam 1] , zoals ik eerder heb verklaard.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , opgemaakt op 28 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 459-462):
A: Opeens was hij er. Zonder een woord te zeggen begon hij te schieten. Hij kwam helemaal dichtbij weet je. [de verdachte] heeft gelijk geschoten. [de verdachte] kwam gelijk op [slachtoffer] af. Hij had hem (de rechtbank verstaat: het vuurwapen) in zijn hand en hij heeft gelijk geschoten. Hij kwam achter mij vandaan.
V: Heb je gezien of [de verdachte] handelingen heeft verricht met het vuurwapen?
A: Geen handeling gezien, het was gelijk schieten. Als we een handeling hadden gezien hadden wij met zijn allen kunnen worstelen om dit te voorkomen.
V: Dus je hebt geen worsteling gezien?
A: Nee, nee. Helemaal niets. Er is niet eens een woord gezegd. Geen letter. Het was gelijk schieten.
V: Hebben [slachtoffer] en [de verdachte] elkaar fysiek aangeraakt?
A: Nee.
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 403-404):
Op 28 mei 2025 was ik belast met beeldonderzoek naar aanleiding van het schietincident dat op 20 mei 2025 op de Zwartsluisstraat heeft plaatsgevonden. Lopende het onderzoek zijn de camerabeelden van de Steenwijklaan 98 te ’s-Gravenhage veiliggesteld.
Bij het bekijken van deze camerabeelden van 20 mei 2025 hoorde ik op elke camera acht (8) knallen, gelijkend op pistoolschoten. Deze knallen waren op de camerabeelden weergegeven navolgende tijdstippen te horen:
Noot: de daadwerkelijke tijd is één (1) uur later dan weergegeven op de camerabeelden.
21:24:17 uur schot 1
21:24:21 uur schot 2
21:24:22 uur schot 3
21:24:23 uur schot 4
21:24:25 uur schot 5
21:24:28 uur schot 6
21:24:29 uur schot 7
21:24:29 uur schot 8
6. De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan op de terechtzitting van 19 november 2025, voor zover inhoudende:
De rechtbank ziet op de camerabeelden dat de verdachte om 21.57.50 uur in beeld komt. Om 21.57.59 uur komt de verdachte aan op de straathoek waar de ontmoeting zou plaatsvinden. De verdachte schiet meteen. De rechtbank ziet op de camerabeelden niet dat er een worsteling heeft plaatsgevonden voordat de verdachte het eerste schot lost.
7. Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek plaats delict Zwartsluisstraat 123 's-Gravenhage, opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (forensisch dossier, p. 18-105):
Overledene: [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1973.
In de broekzakken van de spijkerbroek zaten nog diverse goederen, te weten;
Een brief met de geschreven opschrift slachtoffer) in de rechter achterzak.
De volledige tekst was:
Je bent mij iets schuldig
Uit het verleden
Als je mij niet belt
Ik kom naar jouw huis
Zwartsluistraat
[telefoonnummer]
8. Het deskundigenverslag forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, op 4 juli 2025 opgemaakt door Drs. P.M.I. Van Driessche, arts en deskundige forensische pathologie, voor zover inhoudende (forensisch dossier p. 123-147):
Bij het forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van dhr. [slachtoffer] ,
geboren op [geboortedatum 2] 1973, is het navolgende gebleken. Aan het lichaam waren vier schotkanalen, zijnde één doorschot en twee inschoten door/in het hoofd en één doorschot door het linkerbeen (sub A en B4 t/m B23). Het doorschot door het hoofd (vanaf de nek) en het inschot in het hoofd (vanaf het rechteroor) (sub B4 t/m B8) hebben geleid tot zeer ernstige beschadiging van de hersenstam en de grote hersenen (inclusief de zogenaamde basale kernen). Deze letsels kunnen elk afzonderlijk en al zeker in combinatie het overlijden zonder meer verklaren, ten gevolge van hersenfunctiestoornissen. De inschoten aan het hoofd (aan de kruin, sub B9 en B10, en vanaf het rechteroor) toonden een enigszins evenwijdig verloop en een vergelijkbare schotrichting. Dit is passend bij kort na elkaar oplopen dan wel een zelfde positie/houding van dader en slachtoffer ten tijde van oplopen.
Er waren derhalve geen aanwijzingen voor een worsteling of aanrijding.
9. Het geschrift te weten Vakbijlage Schotrestenonderzoek, voor zover inhoudende (forensisch dossier, p. 252-253):
2.1.
Wat zijn schotresten?
Bij het verschieten van een patroon met een vuurwapen komen verschillende materialen vrij in de vorm van residuen en deeltjes.
2.2.
Het vrijkomen en de verdere overdracht van schotresten
Bij het schietproces worden schotresten via alle openingen in het vuurwapen naar buiten geblazen. Een groot deel hiervan verlaat het wapen via de loop, maar dit gebeurt ook via andere openingen zoals bijvoorbeeld de hulsuitwerper. De deeltjes kunnen vervolgens in de directe omgeving terechtkomen op lichaamsdelen,
kledingstukken en andere voorwerpen.
10. Het deskundigenverslag aanvullend schotrestenonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Den Haag op 20 mei 2025, op 31 juli 2025 opgemaakt en ondertekend door dr. C.J.M. van der Ham, deskundige op het gebied van schotrestenonderzoek, voor zover inhoudende (forensisch dossier, p. 262-270):
Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving in aanvraag
Omschrijving NFI
AARV7062NL
bemonsterset; vd [de verdachte] : kruitresten;
linker- en rechterhand
een onderzoeksset schiethanden
waarmee de handen van verdachte
[de verdachte] zijn bemonsterd
Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving
Omschrijving NFI
A.APW7446NL
vuurwapen (.pistool); in rechterzak cars jeans
jas verdachte
Een vuurwapen
Overzicht te onderzoeken materiaal
SIN
Omschrijving NFI
AALH9SOSNL t/m
-11NL
zeven schotrestenbemonsteringen uit zeven hulzen met bodemstempel S&B) 7,65 Br
Vraagstelling
Is de verzameling deeltjes op de handen van de verdachte afkomstig van het schietincident?
Hypothese V1: De verzamelingen deeltjes op de bemonsteringen van de handen
van de verdachte zijn afkomstig van de schoten op de plaats delict.
Hypothese V2: De verzamelingen deeltjes op de bemonsteringen van de handen
van de verdachte zijn afkomstig van een willekeurig ander schot/willekeurige andere schoten.
Conclusie
De bevindingen van het onderzoek aan de onderzoeksset schiethanden
[AARV7062NL] van verdachte [de verdachte] , het vuurwapen [AAPW7446NL] en de
schotrestenbemonsteringen [AALH9505NL t/m -11NL] uit hulzen zijn veel
waarschijnlijker wanneer hypothese V1 waar is, dan wanneer hypothese V2 waar is.
Ten aanzien van feit 2:
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 november 2025;
2. Het proces-verbaal met nummer 2025166549-98, opgemaakt op 18 november 2025 (aanvullend proces-verbaal, p. 1-3).
3.4.
Bewijsoverwegingen
De feiten
Op grond van het procesdossier en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het navolgende vast.
Op 20 mei 2025 heeft het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) een briefje op zijn auto aangetroffen dat de verdachte daar had achtergelaten. Op het briefje stond dat [slachtoffer] een schuld bij de verdachte had uit het verleden en dat [slachtoffer] de verdachte moest bellen. De verdachte zou dan naar het huis van [slachtoffer] aan de Zwartsluisstraat in Den Haag komen.
Uiteindelijk is er diezelfde avond een ontmoeting gepland tussen [slachtoffer] en de broer van de verdachte. Op deze avond stond [slachtoffer] met een aantal personen, onder wie zijn zoon, [getuige 1] , en [getuige 2] , voor zijn woning in de Zwartsluisstraat. Op enig moment is de verdachte naar de ontmoetingsplek gekomen. Daar aangekomen heeft de verdachte meteen en van een korte afstand met een vuurwapen geschoten in de richting van [slachtoffer] . De rechtbank leidt dit af uit genoemde getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en voorts uit de camerabeelden waarop te zien is dat een schot wordt gelost binnen één seconde nadat de verdachte op de hoek van de straat aankwam waar [slachtoffer] stond. Deze gang van zaken wordt bovendien ondersteund door conclusie van het schotrestenonderzoek, waaruit volgt dat de resultaten van het onderzoek veel waarschijnlijker zijn wanneer de aangetroffen schotresten op zowel de verdachte als op [slachtoffer] afkomstig zijn van de schoten uit het vuurwapen van de verdachte, dan wanneer deze afkomstig zijn van een schot dat door iemand anders zou zijn gelost.
De stelling van de verdachte daarentegen, inhoudende dat er vóór het vallen van het eerste schot eerst een worsteling tussen hem en [slachtoffer] heeft plaatsgevonden en dat het eerste schot niet door hem maar door een onbekend gebleven ander is afgevuurd, vindt geen steun in het dossier. Nu bovendien de verdachte heeft verklaard dat de overige zeven schoten door hem zijn gelost, stelt de rechtbank vast dat het de verdachte is geweest die acht keer heeft geschoten, waarbij [slachtoffer] drie keer in het hoofd is geraakt en één keer in zijn lichaam. Door in ieder geval twee van de schoten in het hoofd is [slachtoffer] komen te overlijden.
Gelet op de feitenvaststelling door de rechtbank, acht zij nader onderzoek naar het bloed van het slachtoffer dat op het vuurwapen van de verdachte is aangetroffen, niet noodzakelijk voor beantwoording van de vragen van artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafrecht. Het door de verdediging gedane voorwaardelijk verzoek wijst de rechtbank daarom af.
Vervolgens is de vraag aan de orde of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel aan doodslag, waartoe de rechtbank het volgende overweegt.
Opzet
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht. De verdachte heeft van een korte afstand acht keer met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten, waarvan verscheidene malen gericht op diens hoofd nadat hij was gevallen en op de grond lag. Dit handelen dient naar zijn uiterlijke verschijningvorm te worden aangemerkt als zozeer gericht op het doden van [slachtoffer] , dat de rechtbank van oordeel is dat het opzet van de verdachte hierop ten volle was gericht. Dit volgt ook uit de verklaring van de verdachte bij de politie dat hij van [slachtoffer] af wilde zijn en dat hij zijn magazijn op hem heeft leeggeschoten. Van contra-indicaties is niet gebleken.
Voorbedachte raad
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Voor de bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' acht de rechtbank in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden redengevend.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de avond van 20 mei 2025 door een witte Mercedes is afgezet om de hoek van de Zwartsluisstraat te Den Haag. Uit het dossier komt naar voren dat de verdachte binnen twintig seconden – dus direct daarna – doelbewust op [slachtoffer] is afgelopen. Zijn vuurwapen was doorgeladen. Dit leidt de rechtbank af uit het gegeven dat de verdachte binnen één seconde nadat hij was aangekomen op de plek waar [slachtoffer] stond, een schot op hem heeft gelost.
De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte in ieder geval voorafgaand aan de ontmoeting het plan heeft opgevat om [slachtoffer] te vermoorden. Nu de verdachte met een doorgeladen vuurwapen direct op [slachtoffer] is afgelopen en van een korte afstand acht keer op onder meer zijn hoofd heeft geschoten – zonder dat er in die tussentijd iets had plaatsgevonden zoals een woordenwisseling of anderszins – heeft de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen het voorgenomen plan doelgericht uitgevoerd.
De rechtbank concludeert verder dat de verdachte voorafgaand aan zijn handelen voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het genomen of het te nemen besluit, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daar rekenschap van te geven. Aldus staat voor de rechtbank vast dat het handelen van de verdachte niet het gevolg is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
Er zijn voorts geen contra-indicaties aannemelijk geworden die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht moord bewezen.
Medeplegen
Tot slot zal de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrijspreken voor het onderdeel medeplegen. Het strafdossier bevat onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat daar sprake van is geweest.
Conclusie
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Ook acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op basis van voornoemde bewijsmiddelen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 20 mei 2025 te ’s-Gravenhage [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen meerdere malen in het hoofd van die [slachtoffer] te schieten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
2
hij op 20 mei 2025 te ’s-Gravenhage een wapen van categorie III, onder 1, te weten een pistool, van het merk CZ, model VZOR 70, kaliber 7.65mm zijnde een vuurwapen voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweer met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht, dient vast te staan dat op enig moment sprake was van een
ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar
daarvoor, waartegen verdediging noodzakelijk was.
Het scenario dat de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat eerst een worsteling heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] en iemand anders dan de verdachte een schot zou hebben gelost voordat de verdachte is gaan schieten, heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan. Dit wordt immers uitgesloten door de bewijsmiddelen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat geen sprake was van een situatie waardoor voor de verdachte de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op noodweer.
Een beroep op putatief noodweer komt de verdachte evenmin toe. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit zou kunnen blijken dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent een (dreigend) gevaar.
Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van feit 1
De verdediging heeft een beroep gedaan op noodweerexces met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit. De rechtbank verwerpt ook dit verweer nu zich geen noodweersituatie heeft voorgedaan.
Ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich wat betreft de straftoemeting ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Mocht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde feit bewezen verklaren en het beroep op noodweer en noodweerexces verwerpen, dan verzoekt de raadsman bij de straftoemeting rekening te houden met, kort gezegd, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met die aanknopingspunten in het dossier op grond waarvan kan worden aangenomen dat de verdachte niet alleen dader is, maar ook als slachtoffer moet worden gezien van drugscriminaliteit.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachte rade om het leven gebracht door hem midden op straat en voor diens huis met een vuurwapen in diens hoofd te schieten. In totaal heeft de verdachte binnen enkele seconden acht schoten op [slachtoffer] gelost. Door de koelbloedige en berekenende manier van handelen van de verdachte heeft het er de schijn van dat het hier gaat om een liquidatie.
De verdachte heeft [slachtoffer] voor de ogen van meerdere omstanders, onder wie een van diens zoons, neergeschoten. De echtgenote heeft vanuit haar huis gezien dat haar man viel en trof hem buiten levenloos aan. Ook de minderjarige dochter van het slachtoffer heeft de schoten gehoord en is daarna geconfronteerd met de dood van haar vader.
Het leed en het gemis voor de naaste familie en alle andere nabestaanden van het slachtoffer is enorm groot, zoals ook indringend is gebleken uit de op de terechtzitting afgelegde verklaringen door de echtgenote en één van de zoons van het slachtoffer. De verdachte heeft de nabestaanden een geliefde vader en echtgenoot ontnomen. Voor de nabestaanden is het extra pijnlijk dat het voor hen onduidelijk is gebleven waarom het slachtoffer is doodgeschoten.
Met zijn handelen heeft de verdachte ook de samenleving als geheel geschokt. Omwonenden hebben de schoten gehoord of zijn met de gevolgen daarvan geconfronteerd. Het handelen van de verdachte zal bij hen, maar ook bij anderen die daarvan op de hoogte zijn geraakt, gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 mei 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die door de verdediging ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Er is geen sprake van enige strafverminderende omstandigheid.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich meebrengt.
Moord behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. De wetgever heeft op dit misdrijf als maximumstraf levenslange gevangenisstraf gesteld of een tijdelijke gevangenisstraf van dertig jaren. De achtergrond daarvan is, dat door dit misdrijf niet alleen aan iemand het leven wordt ontnomen, maar dat dit ook gebeurt ingevolge een tevoren daartoe beraamd plan. Binnen de rechtspraak bestaan voor dit delict geen landelijke oriëntatiepunten. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is en het slechts tot op zekere hoogte mogelijk is om deze zaak te vergelijken met andere zaken, blijkt uit een analyse van recente rechterlijke uitspraken dat voor een enkelvoudige moord doorgaans een gevangenisstraf wordt opgelegd tussen de 18 en 22 jaren.
Uit de landelijke oriëntatiepunten volgt dat voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden een passende straf is. Hier is echter sprake van strafverzwarende omstandigheden: het vuurwapen was geladen met scherpe munitie en is daadwerkelijk gebruikt.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

De weduwe van het slachtoffer, [naam weduwe] , zijn zonen [getuige 1] en [naam zoon] , zijn dochter [naam dochter] en zijn broer, de heer [naam broer] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen in totaal een schadevergoeding van € 748.547,88, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De vorderingen bestaan uit de volgende schadeposten:
[naam weduwe]
Overlijdensschade € 441.524,00
Affectieschade € 20.000,00
Kosten van lijkbezorging € 1.210,37
Shockschade € 30.000,00
Kosten rekenkundige € 3.362,59
Kosten psycholoog € 109,19
Subtotaal € 496.206,15
De heer [getuige 1]
Overlijdensschade € 1.636,00
Affectieschade € 20.000,00
Kosten lijkbezorging € 1.210,37
Shockschade € 30.000,00
Materiële schade € 2.567,62
Subtotaal € 55.413,99
De heer [naam zoon]
Overlijdensschade € 9.988,00
Affectieschade € 20.000,00
Kosten lijkbezorging € 1.210,37
Aantasting in de persoon op andere wijze € 30.000,00
Subtotaal € 61.198,37
Mevrouw [naam dochter]
Overlijdensschade € 80.269,00
Affectieschade € 20.000,00
Kosten lijkbezorging € 1.210,37
Aantasting in de persoon op andere wijze € 30.000,00
Subtotaal € 131.479,37
De heer [naam broer]
Kosten lijkbezorging € 4.250,00
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen telkens vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat hij niet passend en behoorlijk de belangen van de verdachte kan behartigen tegen de vorderingen van de benadeelde partijen met name op het punt van het gederfd levensonderhoud, omdat hij strafrechtspecialist is en geen slachtofferspecialist. Het gaat om complexe vorderingen die specialistische kennis vereisen. De raadsman heeft ter terechtzitting ook naar voren gebracht dat hij de vorderingen van de benadeelde partijen niet met de verdachte heeft besproken. Voor het geval dat de rechtbank de vorderingen inhoudelijk zal beoordelen, heeft de raadsman een voorwaardelijk verzoek gedaan om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting met een daarbij passend verzoek aan de rechtbank om ambtshalve een last af te geven aan een aanvullende advocaat, gespecialiseerd op het gebied van slachtofferhulp / letselschade.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van [naam weduwe]
Overlijdensschade (gederfd levensonderhoud)
De benadeelde partij [naam zoon] vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 441.524,00. Ter onderbouwing van haar vordering heeft haar raadsvrouw een schadeberekening van het Nederlands Rekencentrum Letselschade (NRL) overgelegd.
Vorderingen ter zake van gederfd levensonderhoud hebben veelal, zoals ook hier, een substantiële omvang en zijn complex van aard. De omvang van de schade laat zich daardoor niet eenvoudig binnen het bestek van een strafproces vaststellen. Deze vorderingen zullen immers moeten worden begroot aan de hand van een aantal – deels onzekere – factoren, waaronder de verwachtingen omtrent toekomstige inkomsten. Deze verwachtingen zijn doorgaans in hoge mate afhankelijk van inkomensgegevens en andere informatie, waaronder op dat moment bestaande vooruitzichten betreffende het slachtoffer en de nabestaande in de periode voorafgaand aan het strafbare feit. Het gaat hierbij om informatie die zich doorgaans geheel in het domein van de benadeelde partij bevindt. De taak van het rechtbank is om te beoordelen of beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de (betwisting van de) toewijsbaarheid van die vordering genoegzaam naar voren te brengen. Als dit aan de zijde van de verdachte niet zo is, dient de rechtbank te beoordelen of eigen onderzoek naar de toewijsbaarheid van de vordering daarvoor binnen een strafproces voldoende compensatie biedt.
Het staat de rechter in zijn oordeel over de vordering van de benadeelde partij vrij om gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Deze mogelijkheid tot splitsing van de vordering bestaat ook in de gevallen waarin de strafrechter tot de conclusie komt dat de benadeelde partij aanspraak heeft op vergoeding van schade door gederfd levensonderhoud, maar dat die schade vooralsnog slechts toewijsbaar is tot een lager bedrag dan waarvan vergoeding is gevorderd.
De benadeelde partij heeft op 9 september 2025 de conceptvraagstelling aan het NRL alsmede de onderliggende stukken gestuurd aan zowel de verdediging als de officier van justitie. De verdediging heeft op 9 september 2025 laten weten geen opmerkingen te hebben over de vraagstelling en de officier heeft een soortgelijk bericht op 11 september 2025 verzonden. Het rapport, de berekening en de bijlagen zijn vervolgens op 15 oktober 2025 aan de verdediging en de officier van justitie gezonden.
De voorgaande gang van zaken roept de vraag op of de verdediging hiermee voldoende tijd – ongeveer een maand –heeft gehad om een complexe vordering ten aanzien van gederfd levensonderhoud zoals die voorligt, afdoende te kunnen beoordelen en te bespreken met de verdachte.
De verplichting van de rechter om te contoleren of de verdediging voldoende de gelegenheid heeft gehad om de vordering van de benadeelde partij te betwisten is er mede omdat de toewijzing en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ingrijpende consequenties voor de verdachte kunnen hebben (zie ook rechtsoverweging 3.3.4 van het arrest van de Hoge Raad van 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644). In dit geval zullen die ingrijpende consequenties er bij toewijzing van de vordering zijn, gelet op de omvang van de vordering(en) van de benadeelde partij(en). Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank aanleiding gezien om eigen onderzoek te verrichten naar de toewijsbaarheid van de vordering ten aanzien van het gederfde levensonderhoud.
Voorwaardelijk verzoek
Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het voorwaardelijke verzoek van de verdediging om ambtshalve een last af te geven aan een aanvullende advocaat, gespecialiseerd op het gebied van slachtofferhulp / letselschade, af. Dit zou meebrengen dat de zaak zou moeten worden aangehouden en dat de verdere behandeling van de zaak met enkele maanden zou worden vertraagd. Nu de rechtbank een eigen onderzoek heeft verricht ten aanzien van de berekening van het gederfd levensonderhoud, staat het belang van de verdachte niet in verhouding tot het belang van strafvordering, in het bijzonder de tijdige afdoening van de strafzaak. De rechtbank weegt hierin mee dat de verdediging ook eerder een letselschadeadvocaat had kunnen inschakelen. Ten aanzien van de overige onderdelen van de vorderingen van de benadeelde partijen geldt dat deze niet dermate complex zijn dat toevoeging van een specialistische letselschadeadvocaat noodzakelijk zou zijn. Ook ten aanzien van die onderdelen wijst de rechtbank het door de verdediging gedane voorwaardelijke verzoek af.
Het onderzoek door de rechtbank
Uit het onderzoek van de rechtbank komt onder meer het volgende naar voren:
- In de berekening van het NRL wordt het inkomen van het slachtoffer gebaseerd op aangiften in plaats van definitieve aanslagen. Hierdoor is niet met zekerheid te zeggen dat het inkomen in de aangiften ook het daadwerkelijke inkomen is geweest in de jaren waar de aangiften betrekking op hebben. In de jurisprudentie vormt dit in sommige gevallen aanleiding om een benadeelde partij (naar aanleiding van een daartoe strekkend verweer van de verdediging) niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van gederfd levensonderhoud (zie het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2025, ECLI:GHAMS:2025:515).
- In de berekening van het NRL wordt ervan uitgegaan dat de benadeelde partij in de toekomst niet meer kan werken en er dus een grotere behoeftigheid is dan in de situatie waarin zij wel zou kunnen werken. Er is niet toegelicht waarom dat zo is en er zijn geen gegevens overgelegd waaruit volgt dat dit inderdaad het geval is.
- De berekening van het NRL loopt tot 2078 en gaat er kennelijk vanuit dat het slachtoffer 105 jaar oud zou worden. Op basis van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dient er echter uitgegaan te worden van 82,4 jaar als gemiddelde leeftijd bij overlijden voor een man (zie het arrest van het gerechtshof Den Haag van 14 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:915). Zo bezien kent de berekening een te lange looptijd.
Gelet op het onderzoek van de rechtbank kan de berekening van het NRL de vordering ten aanzien van het gederfde levensonderhoud niet geheel dragen. Wel is op grond van de berekening van het NRL en de onderliggende stukken duidelijk dat er in ieder geval sprake is van fors gederfd levensonderhoud bij de benadeelde partij. Het voorgaande maakt dat de rechtbank het gederfde levensonderhoud vaststelt op € 250.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding. Voor zover de benadeelde partij in de onderhavige procedure niet in haar vordering kan worden ontvangen, kan zij deze aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als weduwe van het slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van het Besluit van 20 april 2018 (‘Besluit vergoeding Affectieschade) (Stb. 2018, 133) heeft de echtgenote (weduwe) recht op een vergoeding van € 20.000,00. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade toewijzen.
Schokschade
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voor vergoeding in aanmerking komende schokschade. Daartoe is het volgende van belang. De benadeelde partij stond in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer, haar echtgenoot. Zij is direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit, de moord op haar echtgenoot. De benadeelde partij heeft de schoten op haar echtgenoot gehoord, heeft direct daarna zijn ontzielde lichaam op straat aangetroffen en heeft het letsel moeten aanschouwen. Dit heeft bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeggebracht. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat dit heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een depressieve stoornis.
De rechtbank dient de hoogte van de schokschade vast te stellen naar billijkheid. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en met het feit dat aan de benadeelde partij ook affectieschade zal worden toegekend. Gelet hierop zal de rechtbank de schokschade van de benadeelde partij vaststellen op een bedrag van € 30.000,00.
Kosten van lijkbezorging, kosten rekenkundige en kosten psycholoog
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘kosten lijkbezorging’, ‘kosten rekenkundige’ en ‘kosten psycholoog’, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen. De rechtbank zal deze gevorderde bedragen dan ook geheel toewijzen.
Ten aanzien van de heer [getuige 1]
Overlijdensschade (gederfd levensonderhoud)
De benadeelde partij [getuige 1] vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 1.636,00, in zijn hoedanigheid van thuiswonende zoon van het overleden slachtoffer. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft zijn raadsvrouw een schadeberekening van het NRL ingediend.
De rechtbank ziet om dezelfde redenen als vermeld bij bespreking van de vordering ter zake van het gederfde levensonderhoud van de weduwe van het slachtoffer aanleiding om eigen onderzoek te verrichten ten aanzien van de vordering van deze benadeelde partij.
Uit de berekening volgt dat de vordering ziet op de periode nadat de benadeelde partij 21 jaar is geworden. De onderhoudsplicht van een ouder voor een kind bestaat op grond van de wet (artikel 1:395a BW) echter tot 21 jaar.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. De benadeelde partij kan deze aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als zoon van het slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van het Besluit van 20 april 2018 (‘Besluit vergoeding Affectieschade) (Stb. 2018, 133) heeft de benadeelde partij als meerderjarig thuiswonend kind recht op een vergoeding van € 20.000,00. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade toewijzen.
Schokschade
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van voor vergoeding in aanmerking komende schokschade. Daartoe is het volgende van belang. De benadeelde partij stond in een nauwe affectieve relatie tot het slachtoffer, zijn vader. Hij is direct geconfronteerd met de ernstige gevolgen van het bewezen verklaarde feit, de moord op zijn vader. De benadeelde partij heeft gezien dat zijn vader voor zijn ogen werd doodgeschoten. Dit heeft bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok teweeggebracht. De benadeelde partij heeft voldoende onderbouwd dat dit heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten een posttraumatische stressstoornis.
De rechtbank dient de hoogte van de schokschade vast te stellen naar billijkheid. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en met het feit dat aan de benadeelde partij ook affectieschade zal worden toegekend. Gelet hierop zal de rechtbank de schokschade van de benadeelde partij vaststellen op een bedrag van € 30.000,00.
Kosten van lijkbezorging en materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘kosten lijkbezorging’ en ‘materiële schade’, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van de gevorderde bedragen. De rechtbank zal deze gevorderde bedragen dan ook geheel toewijzen.
Ten aanzien van de heer [naam zoon]
Overlijdensschade (gederfd levensonderhoud)
De benadeelde partij [naam zoon] vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 9.988,00, in zijn hoedanigheid van thuiswonende zoon van het overleden slachtoffer. Ter onderbouwing van zijn vordering heeft zijn raadsvrouw een schadeberekening van het NRL ingediend.
De rechtbank ziet om dezelfde redenen als vermeld bij bespreking van de vordering ter zake van het gederfde levensonderhoud van de echtgenote van het slachtoffer aanleiding om eigen onderzoek te verrichten ten aanzien van de vordering van deze benadeelde partij.
Uit de berekening volgt dat een deel van de vordering ziet op de periode nadat de benadeelde partij 21 jaar zal zijn geworden. De onderhoudsplicht van een ouder voor een kind bestaat op grond van de wet (artikel 1:395a BW) tot 21 jaar.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank het gederfde levensonderhoud in ieder geval begroot op € 7.500,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. Voor zover de benadeelde partij in de onderhavige procedure niet in zijn vordering kan worden ontvangen, kan hij deze aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als zoon van het slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van het Besluit van 20 april 2018 (‘Besluit vergoeding Affectieschade) (Stb. 2018, 133) heeft de benadeelde partij als meerderjarig thuiswonend kind recht op een vergoeding van € 20.000,00. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade toewijzen.
Aantasting in de persoon op andere wijze
De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 BW Pro een vordering tot vergoeding van schade, niet zijnde schokschade ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat het stelsel van de wet aan toekenning van andere schade dan schokschade op de bedoelde grondslag in de weg staat. De wetgever heeft voor nabestaanden slechts vergoeding van bepaalde kosten mogelijk willen maken. Juist omdat het voor nabestaanden zeer moeilijk was om onder de oude wetgeving een vorm van immateriële schadevergoeding te vorderen, is de Wet Affectieschade per 1 januari 2019 in werking getreden voor gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding. Uit het voorgaande volgt dat de vordering wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk is.
Kosten lijkbezorging
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘kosten lijkbezorging’, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook geheel toewijzen.
Ten aanzien van mevrouw [naam dochter]
Overlijdensschade (gederfd levensonderhoud)
De benadeelde partij [naam dochter] vordert vergoeding van gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 80.269,00, in haar hoedanigheid van minderjarige dochter van het overleden slachtoffer. Ter onderbouwing van de vordering heeft de raadsvrouw een schadeberekening van het NRL ingediend.
De rechtbank heeft om dezelfde redenen als vermeld bij de bespreking van de vordering ter zake van het gederfde levensonderhoud van de weduwe van het slachtoffer aanleiding gezien om eigen onderzoek te verrichten ten aanzien van de vordering van deze benadeelde partij.
Uit de berekening volgt dat een deel van de vordering ziet op de periode nadat de benadeelde partij 21 jaar is geworden. De onderhoudsplicht van een ouder voor een kind bestaat op grond van de wet (artikel 1:395a BW) tot 21 jaar.
Het voorgaande maakt dat de rechtbank het gederfde levensonderhoud in ieder geval begroot op € 73.000,00, de vordering tot dat bedrag zal toewijzen en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering. Voor zover de benadeelde partij in de onderhavige procedure niet in de vordering kan worden ontvangen, kan deze worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Affectieschade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij, als dochter van het slachtoffer, voor vergoeding in aanmerking komende affectieschade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Op grond van het Besluit van 20 april 2018 (‘Besluit vergoeding Affectieschade) (Stb. 2018, 133) heeft de benadeelde partij als minderjarig kind recht op een vergoeding van € 20.000,00. De rechtbank zal dan ook het gevorderde bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade toewijzen.
Aantasting in de persoon op andere wijze
De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106 BW Pro een vordering tot vergoeding van schade, niet zijnde shockschade ingediend. De rechtbank is van oordeel dat het stelsel van de wet aan toekenning van andere schade dan shockschade op de bedoelde grondslag in de weg staat. De wetgever heeft voor nabestaanden slechts vergoeding van bepaalde kosten mogelijk willen maken. Juist omdat het voor nabestaanden zeer moeilijk was om onder de oude wetgeving een vorm van immateriële schadevergoeding te vorderen, is de Wet Affectieschade per 1 januari 2019 in werking getreden voor gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden na de inwerkingtreding. Uit het voorgaande volgt dat de vordering wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk is.
Kosten lijkbezorging
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘kosten lijkbezorging’, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook geheel toewijzen.
Ten aanzien van de heer [naam broer]
Kosten lijkbezorging
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘kosten lijkbezorging’, is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. De rechtbank zal het gevorderde bedrag dan ook geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de door alle benadeelde partijen gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling verdachte
Nu de vorderingen van de benadeelde partijen al dan niet gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Schadevergoedingsmaatregelen
De verdachte zal voor het strafbare feit onder 1 worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hun is toegebracht.
De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen
  • een bedrag van € 304.682,15, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • een bedrag van € 53.777,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • een bedrag van € 28.710,37, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • een bedrag van € 94.210,37, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
  • een bedrag van € 4.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 36 f, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
t
en aanzien van feit 1:
moord;
ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
21 (eenentwintig) JAREN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
de vorderingen van de benadeelde partijen;
ten aanzien van [naam weduwe]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 304.682,15 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [naam weduwe] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van de heer [getuige 1]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 53.777,99 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de heer [getuige 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van de heer [naam zoon]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 28.710,37 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan de heer [naam zoon] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van mevrouw [naam dochter]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 94.210,37 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mevrouw [naam dochter] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
ten aanzien van de heer [naam broer]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 4.250,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan mevrouw [naam broer] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregelen;
ten aanzien van [naam weduwe]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 304.682,15, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [naam weduwe] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
ten aanzien van de heer [getuige 1]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 53.777,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van de heer [getuige 1] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 297 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
ten aanzien van de heer [naam zoon]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 28.710,37, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van de heer [naam zoon] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 178 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
ten aanzien van mevrouw [naam dochter]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 94.210,37, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van mevrouw [naam dochter] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 365 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
ten aanzien van de heer [naam broer]
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van de heer [naam broer] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 52 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedragen aan de benadeelde partijen de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partijen in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. Rabbie, voorzitter,
mr. R. Wieringa, rechter,
mr. G.A. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Melieste, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 december 2025.