De minister heeft op 20 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde toen dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 31 oktober 2025 rechtmatig was. In deze procedure stond alleen de rechtmatigheid van de maatregel na die datum ter beoordeling.
De rechtbank concludeert dat er geen zicht ontbreekt op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, mede omdat een lp-traject is opgestart en de Algerijnse autoriteiten de verstrekking van de lp hebben toegezegd. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, zoals blijkt uit de voortgangsrapportage en het vertrekgesprek met eiser.
De rechtbank ziet geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten in de periode na het vorige onderzoek en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.