In deze zaak heeft eiser, een jongvolwassene met de Egyptische nationaliteit, een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn vader in Nederland te kunnen wonen. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, met als argument dat eiser in zijn eigen onderhoud kan voorzien, aangezien hij aandeelhouder is in de vennootschap onder firma van zijn vader. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door eiser niet te horen over zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat er geen gezinsleven meer is tussen eiser en zijn vader, en dat de afwijzing van de aanvraag niet meer tot gevolg heeft dat zij van elkaar gescheiden zijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om eiser alsnog te horen en een nieuw besluit te nemen. Eiser krijgt recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten.