ECLI:NL:RBDHA:2025:22935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL22.10496 en NL22.10498
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf en schending hoorplicht in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft eiser, een jongvolwassene met de Egyptische nationaliteit, een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn vader in Nederland te kunnen wonen. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, met als argument dat eiser in zijn eigen onderhoud kan voorzien, aangezien hij aandeelhouder is in de vennootschap onder firma van zijn vader. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank heeft de zaak behandeld en vastgesteld dat de minister de hoorplicht heeft geschonden door eiser niet te horen over zijn bezwaar. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte heeft aangenomen dat er geen gezinsleven meer is tussen eiser en zijn vader, en dat de afwijzing van de aanvraag niet meer tot gevolg heeft dat zij van elkaar gescheiden zijn. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om eiser alsnog te horen en een nieuw besluit te nemen. Eiser krijgt recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL22.10496 (beroep) en NL22.10498 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn vader, de heer [naam vader] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling

Wat ging er aan deze procedure vooraf?
2.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn vader, referent, is bij beschikking van 15 maart 2019 in het bezit gesteld van een verblijfvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige (geldig van 15 maart 2019 tot 15 maart 2021, verlengd bij beschikking van 4 maart 2021 tot 15 maart 2025), nadat hij zich in Nederland heeft gevestigd met een door Italië afgegeven EU-verblijfvergunning als langdurige ingezetene. Eiser wil zich samen met de rest van het gezin, onder wie zijn moeder, minderjarige broertje en minderjarige zusje, in Nederland vestigen bij zijn vader. Om die reden heeft eiser op 15 januari 2021 een mvv aangevraagd voor verblijf bij zijn vader op grond van artikel 8 van het EVRM. [2]
2.2.
De minister heeft op 25 september 2025 aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat eiser inmiddels sinds 4 november 2024 in het bezit van een verblijfsvergunning is, geldig tot 4 november 2029. De minister verzet zich om die reden niet tegen de veroordeling in proceskosten wat betreft de voorlopige voorziening. Wat betreft de beroepszaak stelt de minister stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag niet meer tot gevolg heeft dat eiser en zijn vader (referent) worden gescheiden. Om die reden is er geen sprake meer van een inbreuk op het familie- en gezinsleven van eiser als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
2.3.
Eiser heeft aangegeven de voorlopige voorziening te willen intrekken, behoudens proceskostenveroordeling. Daarnaast geeft hij in een reactie op het verweerschrift aan dat de verlening van de verblijfsvergunning geen aanleiding vormt om het beroep in te trekken. Hij houdt belang bij de beoordeling van de rechtmatig van de weigering, inclusief een verlening van het verblijfsrecht, met terugwerkende kracht vanaf het moment van de aanvraag tot 4 november 2024, de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Eiser wijst erop dat hij daarmee een langere periode van rechtmatig verblijf heeft waardoor hij eerder in aanmerking kan komen voor verblijf voor onbepaalde tijd, dan wel de Nederlandse nationaliteit.
Oordeel van de rechtbank
3.1.
De rechtbank overweegt dat door het besluit van de minister om eiser per
4 november 2024 een verblijfsvergunning te verlenen, deze zaak alleen nog maar gaat over de ingangsdatum van het verblijfsrecht. In andere woorden, of eiser rechtmatig verblijf toekomt vanaf het moment van de aanvraag op 18 januari 2021 tot het moment van de vergunningverlening van 4 november 2024. De minister heeft betwist dat er sprake is van procesbelang, omdat eiser inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen.
In het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van procesbelang, meent de minister dat eiser meerderjarig is en niet voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid omdat hij (deels) in zijn eigen onderhoud voorziet. Eiser is namelijk sinds 10 februari 2020 vennoot is van de [naam VOF] [3] waarvan eisers vader de andere vennoot is. Deze omstandigheid (dat de jongvolwassen vreemdeling zelfstandig in eigen levensonderhoud kan voorzien) is al voldoende voor de conclusie dat eiser feitelijk niet meer behoort tot het gezin van de ouders en geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid. [4]
3.2.
Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zwaar belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Uit de rechtspraak van het EHRM [5] blijkt in het geheel niet dat het kunnen voorzien in eigen levenshoud een contra-indicatie vormt voor het aannemen van beschermingswaardig familieleven tussen de jongvolwassene en zijn ouders. [6] Voorts is van belang dat het aandeel in de VOF aan eiser is geschonken. Hij zou niet in staat zijn geweest om zelfstandig, dus zonder hulp van zijn ouders, het aandeel in de VOF te verwerven. Het duidt juist op een sterke afhankelijkheid van het gezin waar hij onderdeel van uitmaakt dat hij op deze wijze een bron van inkomsten heeft verworven. Daarnaast betaalt eisers vader alles voor hem zoals, kost en inwoning, kleding, kosten voor medische zorg en taalcursussen. Gezien deze omstandigheden kan er niet worden gesteld dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven van eiser als jongvolwassene en het kerngezin waarmee hij altijd heeft samengewoond. Ook heeft de minister er ten onrechte van afgezien om eiser te horen naar aanleiding van het bezwaarschrift. Alleen al omdat eiser in bezwaar een beroep heeft gedaan op jurisprudentie die het standpunt van eiser op een wezenlijk punt steunt kan door de minister niet worden gesteld dat er sprake is van kennelijk ongegrond bezwaar. Daarnaast zou een hoorzitting bij uitstek gelegenheid hebben geboden om een beeld te krijgen van de afhankelijkheid van eiser ten opzichte van zijn vader.
Is er sprake van procesbelang?
4. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het voorliggend beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018 [7] volgt dat bij geschillen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier, terwijl de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van een hem verleende verblijfsvergunning, procesbelang in beginsel is gegeven, als de te verlenen verblijfsvergunning andere rechtsgevolgen of een eerdere ingangsdatum heeft dan de reeds verleende verblijfsvergunning en de vreemdeling daardoor in een gunstigere positie zou kunnen geraken. Door verlening van de door hem gewenste verblijfsvergunning met eerdere ingangsdatum kan eiser in een gunstigere positie komen doordat dit verblijfsrecht wordt verleend voor een langere duur en met een eerdere ingangsdatum. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Moet het jongvolwassenenbeleid worden toegepast?
5.1.
Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgen vier cumulatieve voorwaarden voor het aannemen van familieleven tussen meerderjarige kinderen en hun ouder(s). Het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met de ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Bij die beoordeling betrekt de minister ook de overige omstandigheden (contra-indicaties) waaronder omstandigheden na het vertrek van het meerderjarige kind die erop wijzen dat geen of niet langer sprake is van familieleven.
5.2.
De Afdeling [8] heeft in haar uitspraak van 29 mei 2024 [9] geoordeeld dat het jongvolwassenenbeleid niet in strijd is met enige rechtsregel en niet onredelijk is. Over het vereiste ‘niet in zijn eigen onderhoud voorzien’ oordeelt de Afdeling dat de minister bij de toepassing van dat vereiste alle individuele omstandigheden betrekt in het licht van de vraag of een kind na het bereiken van de meerderjarige leeftijd feitelijk is blijven behoren tot het gezin van zijn ouder(s). De minister dient kenbaar te betrekken wat betrokkenen aanvoeren als aanleiding en reden voor het voorzien in eigen onderhoud, ook als dit niet een vluchtgerelateerde omstandigheid is. Dit type omstandigheden kan namelijk ook informatie geven voor het antwoord op de vraag of het meerderjarig kind daadwerkelijk financieel onafhankelijk is van zijn ouder(s).
5.3.
Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt de minister of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op grond van het vereiste van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [10]
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. De minister heeft daartoe voldoende gemotiveerd dat eiser niet aan alle vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet. De minister heeft in de bestreden beslissing uiteengezet dat uit de jaarstukken blijkt dat eiser wel degelijk in zijn eigen onderhoud kan voorzien aangezien hij een bepaalde inleg heeft gehad in de VOF en een groot winstaandeel over 2020 en 2021 heeft gekregen. Eiser heeft deze stelling van de minister ook niet betwist. Zijn argument dat hij, ook al zou hij voorzien in zijn eigen onderhoud, nog steeds als jongvolwassenen zou moeten worden aangemerkt volgt de rechtbank niet. Uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat de minister aan de omstandigheid van het hebben van eigen vermogen een zwaar mag belang mag toekennen. De minister heeft dus op juiste gronden geconcludeerd dat referent voorziet in zijn eigen onderhoud. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister eiser moeten horen?
6.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [11] Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit. [12]
6.2.
De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij van horen heeft kunnen afzien omdat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Daarom is op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb [13] afgezien van het horen als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb. Op grond van hetgeen in de bezwaarprocedure is aangevoerd over eisers eigen aandeel in de VOF en de toepassing van het jongvolwassenenbeleid is voor de minister meteen duidelijk dat het bezwaar niet kan leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit.
6.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel had kunnen komen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Eiser heeft in bezwaar namelijk ook een beroep gedaan op het recht op gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft hierover geoordeeld dat geen sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn familie, ook niet als eiser als volwassene wordt aangemerkt. De rechtbank overweegt dat voor de vraag of sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bij een volwassen kind doorslaggevend is of er sprake is van hechte persoonlijke banden, in het bijzonder “more than the normal emotional ties”. De minister had eiser hierover moeten horen. Nu hij dat niet heeft gedaan, is de hoorplicht geschonden. Deze beroepsgrond slaagt.
6.4.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het bezwaar van eiser ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en heeft afgezien van het horen.

Conclusie en gevolgen

7.1.
Het beroep is gegrond omdat de minister de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat de zaak weer in de bezwaarfase terechtkomt en dat de minister eiser alsnog moet horen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
7.2.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 mei 2022;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 368,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.Vennootschap onder firma.
5.Europees Hof van de Rechten van de Mens.
6.Zie de uitspraak van 25 oktober 2021 van de rechtbank Haarlem, ECLI:RBDH:2021:11793.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018, ECLI:NL: RVS:2018:1611.
8.De Afdeling Bestuursrechtspraak dan de Raad van State.
10.Zie de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling en ook de uitspraak van 15 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3306.
11.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
12.Uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
13.Algemene wet bestuursrecht.