Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:2294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
NL24.51915 en NL24.51916
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming ongegrond verklaard

Eiser, van Malinese nationaliteit, diende op 22 november 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag op 28 december 2024 buiten behandeling omdat eiser zonder opgave van reden was vertrokken en zich niet aan zijn meldplicht had gehouden. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) meldde op 10 december 2024 dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken (MOB).

Eiser voerde aan dat hij niet met onbekende bestemming was vertrokken en dat hij in contact stond met zijn gemachtigde. Hij stelde zich ook de dag na het besluit te hebben gemeld in Ter Apel, maar kreeg te horen dat hij geen nieuwe aanvraag kon doen. De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang had omdat contact met de gemachtigde werd onderhouden, maar dat verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling had gesteld omdat eiser niet had voldaan aan de meldplicht en zijn verblijfplaats onbekend bleef.

De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat het onduidelijk was waar hij zich moest melden en stelde vast dat de meldplicht duidelijk was medegedeeld. Het indienen van een zienswijze werd niet als voldoen aan de meldplicht beschouwd. Gezien het ontbreken van contact met bevoegde autoriteiten mocht verweerder een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod van twee jaar opleggen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51915 en NL24.51916
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. N. Wouters),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Hij heeft op 22 november 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 december 2024 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld.
1.1.
De rechtbank heeft beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt van Malinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat eiser is verdwenen zonder hiervoor een reden op te geven. [1] Eiser heeft zich vervolgens niet aan zijn meldplicht gehouden. Om die reden heeft het COA [2] op 10 december 2024 gemeld dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Verweerder heeft eiser een terugkeerbesluit opgelegd en daarbij bepaald dat hij Nederland onmiddellijk moet verlaten, omdat er een risico bestaat dat hij zal onderduiken. [3] Ook heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling gesteld. Eiser is namelijk niet vertrokken met onbekende bestemming. Eiser heeft na ontvangst van het voornemen in zijn zienswijze aangegeven op welke manier hij bereikbaar is en dat hij in contact is met zijn gemachtigde. Hiermee heeft hij binnen twee weken contact opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Ook heeft eiser zich de dag na het bestreden besluit gemeld in Ter Apel, waar hem gezegd is dat hij geen nieuwe asielaanvraag kan doen en dat hij terug moet gaan naar zijn opvanglocatie. Voor eiser is onduidelijk waar hij zich moet melden en op welke wijze. Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel die op 30 november 2024 aan eiser is opgelegd, stelt eiser dat de maatregel is opgeheven na zijn vertrek uit de opvang en dat een beroep dus niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Verder heeft verweerder ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Er bestaat geen risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep, nu eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat er in dat geval in beginsel vanuit gegaan mag worden dat de vreemdeling niet langer prijs stelt op de door hem gezochte bescherming. [5] Dat is alleen anders als een vreemdeling laat weten nog contact te onderhouden met zijn gemachtigde. De gemachtigde heeft ter zitting gesteld dat eiser nog contact onderhoudt met haar. De rechtbank neemt daarom procesbelang aan.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eisers aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Eiser is immers vertrokken uit de opvang en staat sindsdien geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken.
5.1.
Uit de informatie van het COA blijkt niet dat eiser op het moment dat hij de opvang verliet te kennen heeft gegeven waar hij naartoe ging en waar hij daadwerkelijk zou verblijven. In de zienswijze heeft de gemachtigde aangegeven dat eiser niet verdwenen is, maar dat hij wegens de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel (overplaatsing naar een handhavings- en toezichtlocatie) ervoor heeft gekozen om af te zien van opvang. Ook heeft de gemachtigde aangegeven op welke manier eiser bereikbaar is. Ook in beroep heeft de gemachtigde betoogt dat zij goed contact met eiser heeft waar het gaat om zijn verblijfplaats. Ter zitting is echter gebleken dat de gemachtigde niet weet waar eiser verblijft.
5.2.
Ook is niet gebleken dat eiser zich na vertrek uit de opvang binnen 24 uur heeft gemeld bij de korpschef in de gemeente waar hij op dat moment zijn intrek had genomen of zich binnen de in het voornemen gestelde termijn contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Het betoog dat het onduidelijk was waar eiser zich moest melden en op welke wijze volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat uit navraag bij het COA is gebleken dat de meldplicht bij de korpschef aan eiser is medegedeeld op het moment dat hij afzag van opvang. Eiser heeft dit niet weersproken. Overigens is niet gebleken dat eiser zich sindsdien heeft gemeld, ook niet na het bestreden besluit waarin verweerder (nogmaals) heeft uitgelegd wat de meldplicht van eiser inhoudt en waar hij zich moet melden. Dat eiser de wil heeft om zich te melden, zoals in beroep gesteld, blijkt hieruit dus niet. Dat eiser zich op enig moment in ter Apel heeft gemeld, is verder niet onderbouwd. Het indienen van een zienswijze kan, in tegenstelling tot wat eiser stelt, niet worden gezien als het voldoen aan de meldplicht en zich beschikbaar stellen voor een voortzetting van de behandeling van de aanvraag in de algemene asielprocedure.
5.3.
Bij deze stand van zaken heeft verweerder de aanvraag van eiser buiten behandeling kunnen stellen.
6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit mogen opleggen met een onmiddellijke vertrekplicht [6] en een inreisverbod voor de duur van twee jaar [7] mogen uitvaardigen.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Het beroep is daarom ongegrond.
8. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Garabitian, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Centraal Orgaan opvang asielzoekers
3.Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 (de Afdeling).
6.Op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.
7.Op grond van artikel 66a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw.