ECLI:NL:RBDHA:2025:2294
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag wegens vertrek met onbekende bestemming ongegrond verklaard
Eiser, van Malinese nationaliteit, diende op 22 november 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie stelde deze aanvraag op 28 december 2024 buiten behandeling omdat eiser zonder opgave van reden was vertrokken en zich niet aan zijn meldplicht had gehouden. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) meldde op 10 december 2024 dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken (MOB).
Eiser voerde aan dat hij niet met onbekende bestemming was vertrokken en dat hij in contact stond met zijn gemachtigde. Hij stelde zich ook de dag na het besluit te hebben gemeld in Ter Apel, maar kreeg te horen dat hij geen nieuwe aanvraag kon doen. De rechtbank oordeelde dat eiser procesbelang had omdat contact met de gemachtigde werd onderhouden, maar dat verweerder de aanvraag terecht buiten behandeling had gesteld omdat eiser niet had voldaan aan de meldplicht en zijn verblijfplaats onbekend bleef.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat het onduidelijk was waar hij zich moest melden en stelde vast dat de meldplicht duidelijk was medegedeeld. Het indienen van een zienswijze werd niet als voldoen aan de meldplicht beschouwd. Gezien het ontbreken van contact met bevoegde autoriteiten mocht verweerder een terugkeerbesluit met onmiddellijke vertrekplicht en een inreisverbod van twee jaar opleggen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.