ECLI:NL:RBDHA:2025:23048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
C/09/682239 / HA ZA 25-265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van de 31%-regeling voor waardevermindering van voertuigen in het kader van BPM en de verenigbaarheid met het fiscale discriminatieverbod

In deze zaak heeft [eiser] B.V. een vordering ingesteld tegen de Staat der Nederlanden, waarbij zij betoogt dat de 31%-regeling voor waardevermindering van voertuigen in strijd is met het fiscale discriminatieverbod zoals vastgelegd in artikel 110 VWEU. De rechtbank Den Haag heeft op 3 december 2025 uitspraak gedaan. De zaak betreft de toepassing van een forfaitair waardeverminderingspercentage voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) bij gebruikte voertuigen met schade. De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen beroep kan doen op artikel 110 VWEU, omdat zij zelf geen voertuigen importeert en dus niet direct door de regeling wordt geraakt. De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af en overweegt dat de 31%-regeling niet in strijd is met het fiscale discriminatieverbod. De rechtbank concludeert dat de regeling een redelijke bewijslastverdeling hanteert en dat de tegenbewijsregeling niet onredelijk bezwarend is. De rechtbank veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die zijn vastgesteld op € 2.120.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/682239 / HA ZA 25-265
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.te [vestigingsplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. P.A.J.M. Lodestijn,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN(Ministerie van Financiën) te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. G.A. Dictus en mr. A.D. Roëll.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Deze zaak gaat over het forfaitaire waardeverminderingspercentage dat wordt toegepast om ten behoeve van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) de waardedaling van een gebruikt voertuig met schade vast te stellen. In de Eindejaarsregeling 2022 is het waardeverminderingspercentage opnieuw vastgesteld op 31%. Volgens [eiser] is de nieuwe regeling zoals neergelegd in de Uitvoeringsregeling BPM 1992, Bijlage I sub 3.5 in strijd met het fiscale discriminatieverbod (artikel 110 VWEU) omdat (i) de 31%-regeling niet op redelijke wijze de daadwerkelijke waardevermindering van een geïmporteerd gebruikt voertuig met schade benadert en (ii) de tegenbewijsregeling onredelijk bezwarend is. De 31%-regeling moet om deze reden onverbindend worden verklaard. De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] geen beroep toekomt op artikel 110 VWEU. Haar vordering wordt daarom afgewezen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de 31%-regeling ook niet strijdig is met het fiscaal discriminatieverbod.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 14 maart 2025, met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord van de Staat van 7 mei 2025, met producties 1 tot en met 3;
- het tussenvonnis van 28 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte overlegging producties van [eiser] , met producties 4 tot en met 6.
2.2.
Op 6 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
De advocaten van partijen hebben de standpunten van hun cliënten mede toegelicht aan de hand van een overgelegde pleitnota. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder nog tijdens de mondelinge behandeling hebben gezegd.

3.De feiten

3.1.
In Nederland wordt met betrekking tot personenauto’s, motorrijwielen en bestelauto’s (hierna kortheidshalve: voertuigen) een belasting geheven onder de naam belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM). Deze belasting is verschuldigd bij de inschrijving van een voertuig in het kentekenregister. Artikel 9 lid 1 van de Wet BPM bepaalt dat de hoogte van de BPM voor een personenauto wordt berekend aan de hand van de CO2-uitstoot van het betreffende voertuig. Wanneer sprake is van een gebruikt voertuig wordt de BPM berekend met inachtneming van een vermindering. Als een gebruikt voertuig minder waard is door schade kan de BPM op een lager bedrag worden vastgesteld. De belastingplichtige ontvangt in dat geval een vermindering op het bruto BPM-bedrag.
3.2.
De waardevermindering voor gebruikte voertuigen kan op grond van artikel 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet BPM) volgens drie methoden worden berekend: (a) een koerslijst, (b) een forfaitaire tabel of
(c) een taxatierapport. Een taxatierapport mag alleen worden gebruikt voor voertuigen met meer dan normale gebruiksschade of voertuigen die niet op een koerslijst voorkomen. [1] De belastingplichtige moet bij de aangifte een verzoek doen voor toepassing van één van deze methoden.
3.3.
In een taxatierapport kan de belastingplichtige de herstelkosten van de schade laten berekenen. Er geldt een weerlegbaar forfaitair waardeverliespercentage. Tot 1 januari 2023 was het forfaitair waardeverliespercentage vastgesteld op 72%. Dit betekende kort gezegd dat werd vermoed dat iedere euro schade een waardeverlies van 72 cent tot gevolg had. Indien het daadwerkelijke waardeverlies hoger was, kon de de belastingplichtige tegenbewijs leveren.
3.4.
De Staatssecretaris heeft onderzoeksbureau VMS I Insight (hierna: VMS I Insight) gevraagd het waardeverminderingspercentage te herijken. VMS I Insight heeft een berekening gemaakt op basis van (i) de getaxeerde herstelkosten van een beschadigd voertuig, (ii) de verkoopprijs van dat voertuig en (iii) de verkoopprijs van een vergelijkbaar voertuig. VMS I Insight heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de data van de RDC Automotive Dashboard, JP Cars, Autotelex en Stichting Verzekeringsbureau Voertuigcriminaliteit (VbV). Voor de herijking van het waardeverliespercentage was de dataset van Stichting VbV van belang aangezien deze als enige partij op de markt de hoogte van het schadebedrag en de handelswaarde van de voertuigen inclusief schade bijhoudt. Verder heeft VMS I Insight de Autotelex-handelswaarde gebruikt om de gemiddelde waardevermindering van een voertuig als gevolg van schade vast te stellen. Bij de totstandkoming van het onderzoek is een begeleidingscommissie betrokken geweest, waarin de RAI Vereniging, BOVAG, FOCWA en het ministerie van Financiën waren vertegenwoordigd. Uit de conclusies van het rapport van 1 juli 2022 van VMS I Insight volgt dat de waarde-schaderatio veel variatie laat zien. De gemiddelde waarde-schaderatio bedraagt 37%, de meest voorkomende waarneming 23% en de mediaan op 31%.
3.5.
De Staatssecretaris van Financiën heeft met de Eindejaarsregeling van 2 december 2022 [2] (de Eindejaarsregeling) het waardeverminderingspercentage, zoals dat binnen de BPM werd toegepast, herijkt. Met ingang van 1 januari 2023 luidt sub 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de UR BPM) als volgt:

De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar vermeerderd met de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.
3.6.
In Eindejaarsregeling is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“Het is in elk geval niet voldoende om het tegenbewijs te baseren op algemene gronden zoals het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Uit het onderzoek volgt immers dat het waardeverliespercentage daar niet door wordt beïnvloed. Het tegenbewijs moet concreet zijn en op het individuele motorrijtuig gericht. De tegenbewijsregeling hanteert de werkelijke inkoopprijs als ondergrens voor de taxatiewaarde. Hiervoor is gekozen, omdat het economisch onlogisch zou zijn als een motorrijtuig op de buitenlandse markt voor een hogere prijs wordt ingekocht dan de waarde van dat motorrijtuig op de Nederlandse markt. Zeker voor ondernemers zou dergelijke handelswijze een economisch verlies model inhouden: de marktwaarde is dan lager dan de inkoopwaarde. Van belang is echter dat ook andere vormen van tegenbewijs zijn toegelaten, waarmee die ondergrens in het geval van bijzondere omstandigheden kan worden doorbroken.
(…)
De waardevermindering als gevolg van schade aan het te taxeren motorrijtuig ten opzichte van de vastgestelde waarde op basis van het referentiemotorrijtuig wordt, behoudens tegenbewijs, geacht 31% te bedragen van de getaxeerde herstelkosten. Aan het tegenbewijs is in ieder geval voldaan voor zover aannemelijk wordt gemaakt dat met een hoger percentage de taxatiewaarde ten minste het bedrag is dat is vermeld in de inkoopfactuur of inkoopverklaring (exclusief de buitenlandse belastingen, maar inclusief de in Nederland verschuldigde bpm en btw), mits aannemelijk is gemaakt en door de belastingplichtige is verklaard dat het motorrijtuig in dezelfde staat verkeert als ten tijde van de inkoop. Het tegenbewijs kan in ieder geval niet in algemene zin betrekking hebben op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het motorrijtuig. Op verzoek van de inspecteur moeten nadere bewijsstukken worden overgelegd.”
3.7.
[eiser] is gespecialiseerd in BPM-aangiften en -taxaties voor gebruikte motorrijtuigen. Haar klanten zijn met name importeurs van occasions, waaronder vele met een schadehistorie.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat –, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de 31%-regeling onverbindend is wegens strijdigheid met artikel 110 VWEU, met veroordeling van de Staat in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.2.
[eiser] legt aan deze vordering – samengevat – het volgende ten grondslag.
De 31%-regeling benadert niet op redelijke wijze de daadwerkelijke waardevermindering van een geïmporteerd gebruikt voertuig met schade. Het onderzoeksbureau VMS I Insight heeft zich gebaseerd op een niet-representatieve en niet transparante database en verschaft geen inzicht in de totstandkoming van de 31%-regeling. Bovendien is de tegenbewijsregeling onredelijk bezwarend, omdat deze beperkt is tot het leveren van tegenbewijs op grond van de inkoopfactuur of inkoopverklaring van het importvoertuig waardoor wordt aangesloten bij het prijspeil in een andere lidstaat. Als tegenbewijs is uitgesloten het bewijs dat betrekking heeft op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het voertuig. Er bestaat hierdoor feitelijk geen tot weinig ruimte voor het leveren van tegenbewijs. Sinds de invoering van de 31%-regeling heeft [eiser] meerdere en vooral grote klanten verloren die hebben besloten niet langer meer te kiezen voor de taxatiemethode. [eiser] ondervindt financieel nadeel door de 31%-regeling die de vraag naar haar diensten heeft verkleind.
4.3.
De Staat voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vordering en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat [eiser] niet onder het beschermingsbereik van artikel 110 VWEU valt. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen. De rechtbank zal geheel ten overvloed het beroep van [eiser] op artikel 110 VWEU alsnog inhoudelijk beoordelen, en tot het oordeel komen dat de 31%-regeling niet in strijd is met artikel 110 VWEU. De rechtbank licht dit toe als volgt.
[eiser] komt geen beroep toe op artikel 110 VWEU
5.2.
Artikel 110 VWEU bevat het zogenoemde fiscaal discriminatieverbod. Dit verbod houdt – voor zover in deze zaak relevant – in dat de belasting op een vanuit een andere lidstaat ingevoerd gebruikt voertuig niet hoger mag zijn dan de belasting die nog intrinsiek rust op vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn toegelaten tot de openbare weg. Artikel 110 VWEU wordt geschonden wanneer het bedrag van die belasting op een gebruikt voertuig uit een andere lidstaat hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte voertuigen. Indien het bedrag van de registratiebelasting op ingevoerde gebruikte voertuigen hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op de binnenlandse markt gebruikte voertuigen, zou dat immers de verkoop van nationale gebruikte voertuigen kunnen begunstigen, waardoor de invoer van gelijksoortige gebruikte voertuigen zou worden ontmoedigd.
5.3.
Het is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] zelf geen gebruikte voertuigen uit andere lidstaten importeert. [eiser] wordt dan ook niet direct door de 31% regeling geraakt. Aan [eiser] komt dan ook geen beroep op artikel 110 VWEU toe. Dat klanten van [eiser] mogelijk wel gebruikte voertuigen importeren, en [eiser] ten behoeve van de import van die voertuigen taxaties verzorgt, maakt het voorgaande niet anders. Een dergelijk indirect belang bij de import van gebruikte voertuigen uit andere lidstaten is onvoldoende om binnen het beschermingsbereik van artikel 110 VWEU te vallen. De vordering van [eiser] moet reeds om deze reden worden afgewezen.
5.4.
[eiser] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog wel op het standpunt gesteld dat zij in deze procedure tevens op basis van volmachten opkomt voor twee van haar klanten, [bedrijfsnaam 1] en Autobedrijf [bedrijfsnaam 2] , maar dit kan [eiser] om de navolgende redenen niet baten.
5.5.
Het volgt uit vaste jurisprudentie dat, in verband met de aard van de dagvaarding, als processtuk waarmee een procedure wordt ingeleid, en gelet op de belangen van de wederpartij, die moet weten waartegen (en tegen wie) zij zich moet verweren, strenge eisen moeten worden gesteld aan de omschrijving in de dagvaarding van, onder meer, de hoedanigheid van de eisende partij. Uitgangspunt is dat een partij noch door een wijziging van eis, noch anderszins in de loop van de procedure in een andere hoedanigheid kan gaan optreden dan die waarin zij haar vordering bij aanvang van de procedure heeft ingesteld. [3] Een partij die krachtens volmacht in naam van een ander een vordering wenst in te stellen, moet al in de dagvaarding de namen van de volmachtgevers vermelden. [4] Nu [eiser] in de dagvaarding niet heeft gesteld op te treden krachtens een volmacht, kan zij tijdens de mondelinge behandeling dus niet meer het standpunt innemen dat zij haar vorderingen (mede) namens [bedrijfsnaam 1] en Autobedrijf [bedrijfsnaam 2] heeft ingesteld. Een dergelijke verandering van partijhoedanigheid is, gelet op de eisen van een goede procesorde, niet toegestaan.
5.6.
De rechtbank komt aldus tot de conclusie dat [eiser] geen beroep toekomt op artikel 110 VWEU. De vordering van [eiser] zal om die reden worden afgewezen. Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat, al zou [eiser] een beroep op artikel 110 VWEU hebben kunnen doen, dit beroep om de navolgende redenen niet zou zijn geslaagd.
De 31%-regeling is niet strijdig met artikel 110 VWEU
5.7.
Het volgt uit vaste jurisprudentie dat het in artikel 110 VWEU neergelegde discriminatieverbod met zich brengt dat de heffing van BPM ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikt voertuig niet hoger mag zijn dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de waarde van een gelijksoortige gebruikte voertuigen die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daarom moet bij de heffing van BPM ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige gebruikt voertuig een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De belastingplichtige die bij het vaststellen van de vermindering van BPM uitgaat van de handelsinkoopwaarde uit een koerslijst en stelt dat die handelsinkoopwaarde moet worden verminderd vanwege – niet in deze koerslijst verwerkte – beschadigingen aan het te registreren voertuig, draagt bij betwisting dan ook de last te bewijzen dat en in hoeverre beschadigingen een waardedaling ten opzichte van de uit die koerslijst volgende waarde tot gevolg hebben. Artikel 110 VWEU verzet zich niet tegen deze bewijslastverdeling. [5]
5.8.
Toegespitst op deze zaak betekent dit het volgende. Het forfaitaire waardeverliespercentage komt er in de kern op neer dat door de Belastingdienst wordt aangenomen dat iedere euro aan getaxeerde schade voor ten minste 31% doorwerkt in de waarde van het gebruikte voertuig. Voor zover de waardevermindering lager of gelijk is aan dit percentage behoeft de belastingplichtige daarom geen bewijs aan te dragen ter zake van de waardevermindering als gevolg van schade anders dan de normale gebruikersschade. Alleen indien de belastingplichtige meent dat de waardevermindering hoger is dan 31% van de herstelkosten, dient de belastingplichtige de daarvoor benodigde feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken. Het forfaitaire waardeverliespercentage komt feitelijk neer op een verlichting van de op de belastingplichtige rustende bewijslast. Het forfaitaire waardeverliespercentage verschilt daarmee van de wettelijke forfaits en tabellen die aan de orde waren in de door [eiser] aangehaalde uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die geen van allen betrekking hadden op de vraag in hoeverre daadwerkelijk aan het gebruikte voertuig geconstateerde schade doorwerkt in de waarde van dat specifieke voertuig. Nu artikel 110 VWEU zich er niet tegen verzet dat de bewijslast van waardevermindering van een gebruikt voertuig als gevolg van schade op de belastingplichtige rust, kan een bewijsvermoeden ten gunste van de belastingplichtige op zichzelf genomen evenmin in strijd komen met het fiscale discriminatieverbod. Om die reden kan in het midden blijven of – zoals [eiser] met haar kritiek op het onderzoek van VMS I Insight ter discussie stelt – het percentage van 31 op redelijke wijze de werkelijke waardevermindering van het voertuig met meer dan normale gebruikersschade benadert.
5.9.
De vervolgvraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de tegenbewijsregeling onredelijk bezwarend is. Volgens [eiser] is dit het geval, omdat (i) als ondergrens van de taxatiewaarde bij de werkelijke inkoopwaarde van het gebruikte voertuig wordt aangesloten, en (ii) tegenbewijs dat verband houdt met kenmerken als het autosegment, de kilometrage en de leeftijd van het voertuig is uitgesloten. Volgens de Staat is het vanuit een economisch perspectief niet rendabel om een voertuig uit een andere lidstaat te importeren indien deze duurder is dan een soortgelijk voertuig in Nederland. De inkoopwaarde geeft daarmee de ondergrens weer van de waarde van het gebruikte voertuig in Nederland. De tegenbewijsregeling is verder ruimer dan [eiser] doet voorkomen. Het tegenbewijs dient betrekking te hebben op het concrete voertuig. De Staat heeft daarom vooraf in bijlage I UR BPM duidelijkheid willen creëren dat tegenbewijs dat in algemene zin betrekking heeft op het autosegment, de leeftijd of de kilometrage van het voertuig niet zal worden geaccepteerd. De tegenbewijsregeling is daarmee niet anders dan het geval was onder de 72% regeling. Ook onder de huidige tegenbewijsregeling is het op basis van bijvoorbeeld de leeftijd en de kilometerstand van het concrete voertuig mogelijk om tot het oordeel te komen dat het waardeverlies meer bedraagt dan 31%, zoals bijvoorbeeld het gerechtshof 's-Hertogenbosch in het arrest van 14 juli 2016 heeft gedaan. [6] In dat arrest heeft het gerechtshof – zakelijk weergegeven – geoordeeld dat de waardevermindering van het voertuig gelijk was aan het getaxeerde schadebedrag mede gezien de aard van de schade en de betrekkelijk lage leeftijd en lage kilometerstand van het voertuig.
5.10.
De rechtbank overweegt als volgt. Het op zich adequate Nederlandse wettelijke systeem laat onverlet dat de belastingplichtige in een concreet geval met succes een beroep kan doen op het discriminatieverbod van artikel 110 VWEU. In dat geval moet de belastingplichtige – zo volgt ook uit het arrest Mihai Manea van het HvJEU [7] – ter weerlegging van een naheffingsaanslag aannemelijk kunnen maken dat het geheven bedrag aan BPM hoger is dan het restbedrag aan BPM dat is vervat in de handelswaarde van een of meer gelijksoortige, gebruikte voertuigen die al in het binnenland zijn geregistreerd. Daartoe moet de belastingplichtige de werkelijke handelswaarde van het te registreren voertuig aantonen. Om dat te staven moet de belastingplichtige op basis van deskundigenonderzoek aantonen dat er ten tijde van de registratie een gelijksoortige, gebruikte voertuigen met een vergelijkbaar schadeverleden in Nederland was geregistreerd en wat de waardeverminderende invloed van dat schadeverleden op de handelsinkoopwaarde werkelijk is geweest ten opzichte van gelijksoortige, gebruikte voertuigen die toentertijd in Nederland waren geregistreerd en niet een dergelijk schadeverleden kenden. Een verwijzing naar een algemeen bekend feit en/of een schatting in goede justitie is niet voldoende. [8]
5.11.
Sub 3.5 van bijlage I UR BPM bepaalt dat aan het tegenbewijs in ieder geval is voldaan wanneer dit hogere percentage aannemelijk wordt gemaakt op basis van de inkoopfactuur of inkoopverklaring. Uit de toelichting bij de Eindejaarsregeling 2022 volgt dat de Staatssecretaris hiermee aan de belastingplichtige een praktische en laagdrempelige mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs heeft willen bieden. Er voor is gekozen om aansluiting te zoeken bij de werkelijke inkoopwaarde omdat het vanuit een economisch uitgangspunt onlogisch zou zijn als een gebruikt voertuig in een andere lidstaat voor een hogere prijs zou worden ingekocht dan de waarde van het gebruikte voertuig op de Nederlandse markt. De import van het gebruikte voertuig zou anders economisch niet rendabel zijn. [eiser] heeft het voorgaande onvoldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de waarde van een geïmporteerd voertuig in Nederland in de regel niet lager is dan de werkelijke inkoopwaarde van het gebruikte voertuig in het buitenland. In die zin vormt de buitenlandse inkoopprijs de economische ondergrens van de waarde van het gebruikte voertuig in Nederland. Door aan te sluiten bij deze economische ondergrens wordt in beginsel gewaarborgd dat de (rest)waarde van het gebruikte voertuig niet hoger wordt vastgesteld dan de waarde van een soortgelijk voertuig op de binnenlandse markt.
5.12.
Dat er omstandigheden denkbaar zijn waarbij de marktwaarde van het voertuig in Nederland lager ligt dan de buitenlandse inkoopwaarde, maakt het voorgaande niet anders. Het staat de belastingplichtige immers vrij om het vereiste tegenbewijs op een andere wijze te leveren, bijvoorbeeld door middel van een taxatierapport. De rechtbank begrijpt uit de toelichting van de Staat dat in dit verband van een taxateur wordt verlangd om aan de hand van het concrete voertuig aan te tonen dat de waardevermindering meer bedraagt dan 31% van de getaxeerde schade. Daartoe kan de taxateur bijvoorbeeld aanvoeren dat het getaxeerde voertuig een VW Polo is, bouwjaar 2024, met een kilometerstand van 5.000 en dat bij andere VW Polo’s uit een vergelijkbaar bouwjaar en met dezelfde kilometerstand schade voor een bepaald percentage doorwerkt in de waarde van het voertuig. Onvoldoende is om in een taxatierapport te stellen dat jonge voertuigen meer waardeverlies hebben, het in dit geval om een jong voertuig gaat, en dus een hoger waardeverminderingspercentage dan 31% moet worden toegepast. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het betoog van [eiser] dat de nieuwe tegenbewijsregeling met zich brengt dat het de taxateur niet vrij staat de waardering te baseren op het betreffende autosegment, de leeftijd en het aantal gereden kilometers, en dat daarmee onvoldoende ruimte overblijft voor het leveren van effectief tegenbewijs. Sub 3.5 van bijlage I UR BPM brengt slechts tot uitdrukking dat het tegenbewijs betrekking moet hebben op het concrete voertuig. Een dergelijke verplichting is, zoals uit de onder 5.10 aangehaalde jurisprudentie volgt, niet onredelijk bezwarend.
5.13.
Het voorgaande betekent dat een tegenbewijsregeling waarbij de belastingplichtige er voor kan kiezen om het vermoeden te weerleggen dat het waardeverlies meer bedraagt dan 31% door (i) het overleggen van de inkoopfactuur of de inkoopverklaring of (ii) aan de hand van een taxatierapport dat op het individuele voertuig is gericht, niet onredelijk bezwarend is. Van strijd met artikel 110 VWEU is dus geen sprake.
Proceskosten
5.14.
De slotsom is dat de vordering van [eiser] moeten worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht € 714
- salaris advocaat € 1.228 (twee punten x tarief II van € 614)
- nakosten € 178 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.120
5.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.120, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92 extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.4.
verklaart het vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mrs. J.J. Kuipers, S.T.H. Janssen en N. Hengeveld en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Voetnoten

1.Art. 10 lid 7 Wet BPM.
2.Eindejaarsregeling 2 december 2022, Stcrt. 2022, 33377.
3.HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8483, rov. 3.13.
4.HR 2 april 1993, ECLI:NL:HR:1993ZC0919, rov. 4.3 en HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435 rov. 3.4-3.6
5.HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rov. 2.3.3.
6.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 14 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2998.
7.HvJEU 14 april 2015, ECLI:EU:C:2015:216.
8.HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, rov. 3.6.2.