ECLI:NL:HR:2004:AP1435
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid bank om namens Staat op te treden in hoger beroep inzake kredietovereenkomst
In deze zaak vorderde ABN AMRO Bank namens zichzelf en als gemachtigde van de Staat der Nederlanden betaling van openstaande bedragen uit hoofde van een kredietovereenkomst met [eiseres] c.s. De rechtbank wees de vordering van de bank af en vernietigde de kredietovereenkomst, waarna de bank hoger beroep instelde. In het hoger beroep trad de bank op als enige eisende partij, zonder expliciete vermelding dat zij ook namens de Staat optreedt. Het hof oordeelde dat de bank als formele procespartij ook namens de Staat kon optreden, ondanks het ontbreken van een dergelijke vermelding in het appèldagvaarding.
Het cassatieberoep van [eiseres] c.s. richtte zich tegen deze overwegingen van het hof. De Hoge Raad bevestigde dat geen wettelijke verplichting bestaat om in het appèldagvaarding expliciet te vermelden dat de bank mede namens de Staat optreedt. De Hoge Raad stelde dat de bank al in eerste aanleg had gesteld namens de Staat op te treden en dat [eiseres] c.s. hiervan op de hoogte waren. Bovendien was de illusie dat de bank haar vordering zou beperken tot haar eigen vordering reeds bij de memorie van grieven weggenomen.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde [eiseres] c.s. in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de bank ook in hoger beroep namens de Staat kon optreden zonder expliciete vermelding in het appèldagvaarding.