ECLI:NL:RBDHA:2025:23115

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
C/09/673710 / HA ZA 24-865
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Merkenrechtelijke geschil tussen EHF Nutrition B.V. en EHF Group B.V. tegen [partij B] over inbreuk op het merk SWITCH

In deze zaak, uitgesproken op 3 december 2025 door de Rechtbank Den Haag, gaat het om een merkenrechtelijk geschil tussen EHF Nutrition B.V. en EHF Group B.V. als eiseressen en [partij B] als gedaagde. EHF stelt dat [partij B] inbreuk maakt op hun merk 'SWITCH' door het gebruik van het teken 'SwitchMe' voor zijn trainings- en voedingsprogramma's en voedingssupplementen. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b van de Benelux-verordening inzake de intellectuele eigendom (BVIE), omdat het teken 'SwitchMe' visueel, auditief en begripsmatig overeenkomt met het merk 'SWITCH'. De rechtbank wijst de vorderingen van EHF toe, met uitzondering van de vorderingen die zijn ingesteld door EHF Nutrition, die niet als houder van het merk kan worden aangemerkt. De rechtbank verklaart EHF Group niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op het SWITCH2024-merk, omdat dit merk is geregistreerd door een niet-bestaand rechtssubject. De rechtbank beveelt [partij B] om binnen twee maanden na betekening van het vonnis iedere inbreuk op het SWITCH2025-merk te staken en gestaakt te houden, en legt hem diverse verplichtingen op, waaronder het versturen van een recall naar zijn afnemers en het vernietigen van inbreukmakende producten. Tevens wordt [partij B] veroordeeld tot betaling van proceskosten aan EHF.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/673710 / HA ZA 24-865
Vonnis van 3 december 2025
in de zaak van

1.EHF NUTRITION B.V. en

2.
EHF GROUP B.V., beide te Capelle aan den IJssel
eiseressen in conventie,
verweersters in voorwaardelijke reconventie,
advocaten: mr. S. Tigu en E.F. Roos,
tegen
[partij B], tevens handelend onder de namen ‘ [handelsnaam 1] ’ EN ‘ [handelsnaam 2] ’, te [plaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat: mr. P.H.J. Nij Bijvank.
Partijen worden hierna respectievelijk ‘EHF Nutrition’, ‘EHF Group’ en ‘ [partij B] ’ genoemd. Eiseressen in conventie, verweersters in voorwaardelijke reconventie, worden gezamenlijk aangeduid als ‘EHF’.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 24 september 2024, met producties EP01 tot en met EP21;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in voorwaardelijke reconventie, met producties GP1 tot en met GP11;
- de conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, tevens houdende een akte aanvulling eis, met producties EP22 tot en met EP25;
- de akte uitlating producties, tevens uitlating aanvulling van eis in conventie van de zijde van [partij B] , met producties GP12 tot en met GP14;
- de akte uitlating aanvulling van eis/grondslag in conventie, tevens akte houdende aanvulling van eis in voorwaardelijke reconventie van de zijde van [partij B] ;
- de akte wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie van de zijde van [partij B] ;
- de aanvullende producties EP26 en EP27 van de zijde van EHF.
1.2.
Op 30 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Ter zitting heeft de advocaat van [partij B] productie GP15 overgelegd. Dit stuk maakt deel uit van het procesdossier.
1.3.
De datum voor het wijzen van vonnis is bepaald op vandaag.

2.De feiten in conventie en in voorwaardelijke reconventie

2.1.
EHF Nutrition is opgericht op 24 januari 2006 en zij houdt zich bezig met de distributie en de verkoop van gezondheidsproducten en -diensten. Zij ontwikkelt en verkoopt onder meer lifestyleprogramma’s en voedingssupplementen. Haar bestuurder/enig aandeelhouder is EHF Group.
2.2.
[partij B] heeft in 1998 een eenmanszaak opgericht die zich onder meer bezighoudt met het exploiteren van twee sportscholen in [plaats 1] en [plaats 2] en met het aanbieden van een trainingsmethode, coaching en begeleiding en voedingssupplementen. In de registers van de Kamer van Koophandel zijn de handelsnamen “ [handelsnaam 1] ”, “ [handelsnaam 2] ”, “ [handelsnaam 1] [plaats 1] ” en “ [handelsnaam 1] [plaats 2] ” voor de onderneming van [partij B] geregistreerd.
2.3.
In 2010 heeft EHF het lifestyleconcept “sportvasten” ontwikkeld, waarbij deelnemers onder persoonlijke begeleiding van een coach een trainings- en voedingsprogramma volgen. EHF biedt dit programma aan op haar website “www.sportvasten.nl” en zij gebruikt daarbij de naam “Sportvasten by Fittergy”. Ten behoeve van dit concept heeft EHF in 2010 een presentatie gemaakt met een marketingstrategie, waarbij zij aan de hand van voorbeelden duidelijk heeft gemaakt hoe zij de “switch” visueel kan maken. Daarbij heeft zij onder meer gewezen op de “metabolic switch”, de switch van suiker naar vetverbranding.
2.4.
De coaches die de deelnemers aan het programma “sportvasten” begeleiden moeten een opleiding volgen bij EHF, waarin uitleg wordt gegeven over de wetenschappelijke basis van het programma, het voedingsschema, de voedingssupplementen en de sportactiviteiten. In het door EHF als productie EP06 overgelegde handboek voor de opleiding “Sportvasten Coach 1 ‘Make the Switch’” uit 2012 worden onder meer de fases “Prepare for the Switch”, “Make the Switch” en “Keep the Switch” beschreven. Verder wordt in dat handboek aandacht besteed aan diverse (pakketten met) voedingssupplementen, met onder andere “Metabolic Switch”, “Keep the Switch” of “Prepare for the Switch” in de naam.
2.5.
In een brochure over haar sportvasten-programma heeft EHF onder meer opgenomen:
en
2.6.
In 2014 hebben partijen contact met elkaar gehad, omdat [partij B] onder de naam [handelsnaam 3] een sportvasten-programma aanbood. Volgens EHF had [partij B] , nadat hij een opleiding tot sportcoach bij EHF had gevolgd, het programma van EHF gekopieerd en maakte [partij B] met zijn trainingsprogramma inbreuk op de auteursrechten van EHF met betrekking tot het lifestyleconcept “sportvasten”. In een e-mailbericht van 25 november 2014 aan de toenmalige advocaat van EHF heeft [partij B] onder meer meegedeeld dat van inbreuk geen sprake is, dat hij zijn programma “ [handelsnaam 2] ” al aanbood voordat hij de opleiding bij EHF volgde en dat “sportvasten” niet meer is dan een variant op het alom bekende “metabolisch switchen”.
2.7.
Bij brief van 24 april 2023 heeft mr. H. van der Kaaij, advocaat te Rotterdam, namens EHF aan [partij B] meegedeeld dat [partij B] onder meer op Google inbreuk heeft gemaakt op het merk “FITTERGY” van EHF. Daarbij is [partij B] aansprakelijk gesteld voor alle door EHF geleden en te lijden schade en is hij, voor zover hier van belang, gesommeerd om te bevestigen dat hij iedere inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van EHF door het gebruik van het Fittergy-merk zal staken, dat hij bereid is de schade en de kosten van EHF te vergoeden, dat de in de brief genoemde inbreuken op de rechten van EHF de enige inbreuken zijn en dat [partij B] niet op andere wijze inbreuk maakt op enig intellectueel eigendomsrecht van EHF. Uiteindelijk heeft [partij B] een onthoudingsverklaring ondertekend en is dit geschil tussen partijen in onderling overleg beëindigd.
2.8.
Op 19 februari 2024 heeft “EHF Group Holding Besloten Vennootschap” het Benelux woordmerk “SWITCH” gedeponeerd, hierna “het SWITCH2024-merk”. Het merk is ingeschreven onder nummer 1499509 voor waren en diensten in de klassen:
  • Kl 05 waaronder: diëtische voedingssupplementen; voedingssupplementen en voedingsadditieven; (diëtische) voedingssupplementen voor gebruik bij het verliezen en/of handhaven van het gewicht; dieet- en voedingspreparaten (voedingssupplementen),
  • Kl 30 diëtische voedingsmiddelen op basis van granen, niet voor medisch gebruik, voor mensen; voedsel voor mensen op basis van kruidenextracten, niet voor medisch gebruik; voedingsmiddelen in de vorm van repen (zijnde suikergoed); energierijke voedingsmiddelen in de vorm van repen op basis van graanpreparaten, voor menselijke consumptie,
  • Kl 35 waaronder: reclame en promotionele activiteiten met betrekking tot sport, leefstijl en voeding, verspreiding van reclamemateriaal betrekking hebbend op sport, leefstijl en voeding; groothandels- en detailhandelsdiensten, commercieel-zakelijke bemiddeling bij de aankoop en verkoop, alsmede de import- en exportagentschappen met betrekking tot (diëtische) voedingsmiddelen, voedingssupplementen, farmaceutische producten en diëtische supplementen in de sectoren van sport, leefstijl en voeding; voornoemde diensten tevens verleend via internet, internetplatforms en via sociale media.
2.9.
Op haar website “www.fittergy.nl” verwijst EHF onder het tabblad “merken” naar het merk “SWITCH”. Met betrekking tot dit merk is het volgende op de website vermeld:
2.10.
Verder biedt EHF via diverse websites, onder meer onder de naam “Sportvasten by Fittergy”, producten aan, die er bijvoorbeeld als volgt uitzien:
2.11.
Via de website “ [website 1] ” (hierna ook ‘de domeinnaam’) biedt [partij B] een lifestyleconcept aan om door middel van een tiendaagse trainingsmethode sneller vet te verbranden. Op de website is onder meer te zien:
Dit lifestyleconcept wordt ook via andere websites, zoals “ [website 2] ” en “ [website 3] ”, aangeboden. Daarnaast verkoopt [partij B] voedingssupplementen onder de naam “ [handelsnaam 2] ”, zowel via de website “ [website 1] ” als via derden, zoals “www.bol.com”. De verpakking van die producten ziet er als volgt uit:
2.12.
EHF heeft een “testaankoop” bij [partij B] gedaan. De van [partij B] ontvangen producten zagen er zo uit:
2.13.
In een brief van 6 mei 2024 heeft mr. S. Tigu namens EHF (samengevat) aan [partij B] meegedeeld dat EHF houdster is van het woordmerk “SWITCH”, dat EHF heeft geconstateerd dat [partij B] op zijn website een trainingsmethode met bijbehorende producten aanbiedt met gebruikmaking van het teken “ SwitchMe ” en dat hij de handelsnaam “ [handelsnaam 2] ” voert, dat [partij B] daarmee inbreuk maakt op het merkrecht van EHF en dat EHF zich daar op grond van haar exclusieve merkrecht tegen kan verzetten. Daarbij is [partij B] onder meer aansprakelijk gesteld voor alle door EHF geleden en te lijden schade en is hij gesommeerd om de inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van EHF te staken.
2.14.
Op 29 mei 2025 heeft W. van den Berg, werkzaam bij Inaday Merken & Patenten te Enschede, namens [partij B] aan de advocaten van EHF meegedeeld dat en toegelicht waarom [partij B] geen aanleiding ziet om aan de sommaties van EHF te voldoen. Daarbij is EHF verzocht om de merkregistratie voor “SWITCH” per direct in te trekken en het gebruik van het merk te staken en om zich bereid te verklaren om de schade van [partij B] te vergoeden.
2.15.
Partijen, althans hun advocaten, hebben daarna over en weer met elkaar gecorrespondeerd. Uiteindelijk is EHF de onderhavige procedure gestart.
2.16.
Op 21 februari 2025 heeft EHF Group het Benelux woordmerk “SWITCH” geregistreerd onder nummer 151828, hierna “het SWITCH2025-merk”. Het in 2025 gedeponeerde merk is, net als het SWITCH2024-merk, ingeschreven voor waren en diensten in de klassen 5, 30 en 35.

3.Het geschil in conventie

3.1.
EHF vordert – na aanvulling van eis en zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat [partij B] inbreuk heeft gemaakt op de intellectuele eigendomsrechten van EHF, meer specifiek op het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk, door de verhandeling van de producten en het aanbieden van het sportvasten-programma onder gebruikmaking van het teken SWITCHME ;
[partij B] te bevelen om iedere inbreuk op het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis gestaakt te houden, meer in het bijzonder door te staken en gestaakt te houden iedere inbreuk op het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk in de gehele Benelux, waaronder door het (doen) verkopen, te koop (doen) aanbieden, (doen) leveren, (doen) gebruiken dan wel in voorraad (doen) hebben van producten met daarop aangebracht het teken SWITCHME , alsook ieder ander gebruik van het teken SWITCHME te staken en gestaakt te houden, onder meer op de sociale media-kanalen en websites van [partij B] , alsook ieder ander gebruik van een teken dat identiek is aan of overeenstemt met het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk voor identieke of soortgelijke waren en/of diensten als waarvoor die merken zijn ingeschreven te staken en gestaakt te houden;
[partij B] te veroordelen om het gebruik van het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk als onderdeel van enige handelsnaam of bedrijfsnaam te staken en gestaakt te houden, alsmede om het gebruik van een teken dat overeenstemt met de handelsnaam [handelsnaam 2] te staken en gestaakt te houden;
[partij B] te bevelen om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de domeinnaam [website 1] om niet over te dragen aan EHF, door middel van verschaffing van de token van de domeinnaam aan de advocaat van EHF, dan wel door de domeinnaam ten name van EHF te stellen;
[partij B] te veroordelen om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan EHF te doen toekomen een schriftelijke, door een gediplomeerde, onafhankelijke administrateur gecontroleerde en gewaarmerkte opgave van de in de inleidende dagvaarding omschreven informatie met betrekking tot (samengevat) (a.) de afnemers van de producten met daarop het teken SWITCHME , met bijbehorende aantallen, prijzen, leverdata en afleveradressen (op de in de dagvaarding beschreven wijze), (b.) de bij [partij B] nog aanwezige voorraad van de producten met daarop het teken SWITCHME (met locatie en aantallen) en (c.) de met die producten gemaakte omzet en winst, met (schriftelijke bewijsstukken van) de daarop in mindering gebrachte kostenposten;
[partij B] te veroordelen om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan al haar commerciële afnemers van inbreukmakende producten met daarop op enige wijze aangebracht, aangehecht of anderszins verband houdend met het teken SWITCHME , in een voor de geadresseerde begrijpelijke taal, een brief te zenden met als doel dat de commerciële afnemers ieder gebruik van het teken SWITCH staken en de inbreukmakende producten aan [partij B] terugzenden, met de in de inleidende dagvaarding vermelde inhoud;
[partij B] te bevelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op haar website een rectificatie te plaatsen, onder vermelding van uitsluitend de in de inleidende dagvaarding vermelde rectificatietekst, althans van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen tekst;
[partij B] te bevelen om uiterlijk binnen veertien dagen na de
recall, de volledige voorraad aan inbreukmakende producten, waaronder ook de teruggeroepen producten, op kosten van [partij B] en onder toezicht van een door [partij B] te betalen gerechtsdeurwaarder te laten vernietigen en binnen twee dagen na deze vernietiging een op kosten van [partij B] opgesteld proces-verbaal va constatering van de vernietiging toe te zenden aan de advocaten van EHF;
[partij B] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 10.000,-- ineens voor iedere overtreding van de in 2. tot en met 8. opgelegde veroordelingen en een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt;
[partij B] te veroordelen in de proceskosten ex artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te begroten conform de door EHF overgelegde specificatie(s), althans op een in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
EHF legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Door gebruik te maken van het teken “ SwitchMe ” voor het aanbieden van een lifestyleconcept en voedingssupplementen maakt [partij B] inbreuk op het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk. Het teken “ SwitchMe ” stemt in grote mate overeen met “SWITCH”, de waren en diensten waarvoor [partij B] het teken “ SwitchMe ” gebruikt zijn identiek aan de waren en diensten waarvoor “SWITCH” is ingeschreven en daardoor kan bij het relevante publiek gevaar voor verwarring optreden. Met het gebruik van “ SwitchMe ” maakt [partij B] dan ook inbreuk op artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. [1] Verder maakt [partij B] door het gebruik van de handelsnaam “ SwitchMe ” en de domeinnaam “ [website 1] ” inbreuk op het merk “SWITCH”, meer in het bijzonder op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. [partij B] gebruikt het teken “ SwitchMe ” in die handelsnaam en domeinnaam immers ter onderscheiding van waren en diensten. Net als met zijn lifestyleconcept en de door hem aangeboden supplementen maakt [partij B] ook hiermee inbreuk op het merk “SWITCH”. Verder maakt [partij B] met zijn domeinnaam in ieder geval inbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE, omdat hij door het gebruik van een met het merk “SWITCH” overeenstemmend teken, anders dan ter onderscheiding van waren en diensten, zonder geldige reden voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk “SWITCH”.
3.3.
[partij B] voert verweer. [partij B] concludeert in conventie tot afwijzing van de vorderingen, met hoofdelijke veroordeling van EHF in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.
[partij B] vordert – na wijziging/aanvulling van eis en zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
nietig te verklaren het SWITCH2024-merk en de doorhaling daarvan uit te spreken, onder de voorwaarde dat in conventie wordt geoordeeld dat dit merk nietig is wegens het niet-bestaan van de deposant (EHF Group Holding B.V.) en EHF om die reden niet-ontvankelijk wordt verklaard;
nietig te verklaren het SWITCH2024-merk en het SWITCH2025-merk en de doorhaling daarvan uit te spreken, onder de voorwaarde dat in conventie wordt geoordeeld dat die merken nietig zijn wegens gebrek aan onderscheidend vermogen en/of omdat deze te kwader trouw zijn ingediend en dus niet rechtsgeldig, een en ander
met hoofdelijke veroordeling van EHF in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
4.2.
[partij B] legt daaraan – samengevat – het volgende ten grondslag. Het SWITCH2024-merk is geregistreerd door een niet bestaand rechtssubject, het merk “SWITCH” mist ieder onderscheidend vermogen en de aanvragen voor de inschrijving van het merk zijn te kwader trouw geweest. Op een eerdere sommatie om de merkinschrijvingen in te trekken is EHF niet ingegaan. [partij B] heeft er daarom belang bij dat het merk “SWITCH” nietig wordt verklaard en dat de doorhaling ervan wordt gelast. [partij B] beroept zich daarbij op de artikelen 2.2bis lid 1 aanhef en sub b en c en lid 2 BVIE.
4.3.
EHF voert verweer. EHF concludeert in voorwaardelijke reconventie tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij B] in de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen in voorwaardelijke reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

De bevoegdheid in conventie en in voorwaardelijke reconventie
5.1.
De rechtbank is internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van EHF op grond van artikel 4.6 lid 1 BVIE, aangezien [partij B] in Nederland woont en de door EHF gestelde merkinbreuk plaatsvindt via een website die op Nederland is gericht en dus ook op het arrondissement Den Haag. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot het grondgebied van de gehele Benelux. [partij B] heeft deze bevoegdheid overigens ook niet bestreden.
5.2.
Nu de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen in conventie, is de rechtbank op basis van artikel 4.6 lid 4 BVIE ook bevoegd om kennis te nemen van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [partij B] . EHF heeft die bevoegdheid ook niet bestreden.
In conventie
Het SWITCH2024-merk
Ontvankelijkheid
5.3.
Het Benelux-merkenregister beoogt duidelijkheid te scheppen over het ontstaan van merkrechten en de rechtssubjecten aan wie deze merkrechten toekomen. Het SWITCH2024-merk is op 19 februari 2024 in het Benelux-merkenregister geregistreerd op naam van “EHF Group Holding Besloten Vennootschap”. Tussen partijen staat vast dat het woord “Holding” niet in de statutaire naam van EHF Group voorkomt en dat er, op het moment van de merkregistratie, geen vennootschap met de statutaire naam “EHF Group Holding Besloten Vennootschap” bestond. Dit betekent dat het SWITCH2024-merk niet is ingeschreven door EHF Group, maar door een niet-bestaand rechtssubject. Door de registratie van het SWITCH2024-merk op naam van een rechtssubject dat niet bestaat heeft EHF onduidelijkheid doen ontstaan met betrekking tot de vraag aan welk rechtssubject dit merkrecht toekomt. Dit geldt temeer nu, zoals [partij B] onbetwist naar voren heeft gebracht, uit de door EHF als productie EP07 overgelegde afschriften uit het Benelux-merkenregister blijkt dat er merkregistraties zijn verricht op naam van zowel “EHF Group B.V.” (bijvoorbeeld “Fittergy”, “sportfasten” en “sportfasting”) als “EHF Group Holding Besloten Vennootschap” (“Eazzy sleep” en “SWITCH”). Hierdoor ontstaat de indruk dat er sprake is van twee verschillende vennootschappen die aanspraak maken op merkrechten, waardoor de hiervoor genoemde onduidelijkheid nog wordt versterkt. Het betoog van EHF dat de registratie van het SWITCH2024-merk berust op een kennelijke verschrijving en dat er geen onduidelijkheid kan bestaan over wie de materiële rechthebbende op het SWITCH2024-merk is doet daar niet aan af. Uit merkregistraties moet voor derden op ondubbelzinnige wijze blijken wie de rechthebbende op een merk is. De registratie van het SWITCH2024-merk voldoet niet aan dat vereiste.
5.4.
Nu EHF Group niet als rechthebbende op het SWITCH2024-merk kan worden aangemerkt, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen voor zover zij deze heeft gebaseerd op het SWITCH2024-merk.
5.5.
Anders dan [partij B] heeft aangevoerd heeft het voorgaande niet tot gevolg dat het SWITCH2024-merk nietig is. In artikel 2.28 BVIE is bepaald dat de rechter de nietigheid slechts kan uitspreken op grond van de absolute nietigheidsgronden (limitatief opgesomd in artikel 2.2bis BVIE) of op grond van de relatieve nietigheidsgronden (limitatief opgesomd in artikel 2.2ter BVIE). De inschrijving van een merk door een niet-bestaand rechtssubject behoort niet tot de genoemde absolute en relatieve nietigheidsgronden en leidt daarom niet tot nietigheid van het SWITCH2024-merk.
5.6.
Gelet op deze beslissing heeft de rest van dit vonnis uitsluitend nog betrekking op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht met betrekking tot het SWITCH2025-merk. Dit merk zal hierna ook ‘het SWITCH-merk’ worden genoemd.
Het SWITCH2025-merk
Strijd met de goede procesorde?
5.7.
Met betrekking tot het SWITCH2025-merk heeft [partij B] allereerst aangevoerd dat EHF zich pas na het verweer van [partij B] in de conclusie van antwoord in conventie heeft beroepen op het SWITCH2025-merk en dat zij daarmee een nieuwe grondslag voor haar vorderingen heeft gecreëerd, die ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding nog niet bestond. Volgens [partij B] is dit in strijd met de goede procesorde en bestaat er daarom aanleiding om de onderhavige zaak
ex tuncte beoordelen, zodat EHF het SWITCH2025-merk niet aan haar vorderingen in conventie ten grondslag kan leggen.
5.8.
De rechtbank volgt [partij B] niet in dit standpunt. Vooropgesteld wordt dat het antwoord op de vraag of de rechter bij de beoordeling van een vordering die betrekking heeft op inbreukmakend of anderszins onrechtmatig handelen niet alleen de omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het gewraakte handelen, maar ook die ten tijde van zijn uitspraak in aanmerking dient te nemen, in de eerste plaats afhangt van de aard van het geschil en hetgeen de eisende partij, mede gelet op hetgeen deze vordert, tot inzet van het geding heeft gemaakt. Bij gebreke van aanwijzingen die tot een beperkte toetsing (
ex tunc) aanleiding moeten geven, zal de rechter in beginsel alle hem ter kennis gebrachte omstandigheden in zijn beoordeling dienen te betrekken, ook voor zover die zich niet in een eerder stadium hebben voorgedaan. Dat laatste geldt in het bijzonder indien de vordering een bevel of verbod van meer algemene strekking behelst dat beoogd wordt voort te duren na de uitspraak van de rechter. [2]
5.9.
De rechtbank ziet in de onderhavige omstandigheden en hetgeen [partij B] heeft aangevoerd geen aanwijzingen die tot een toetsing
ex tuncmoeten leiden. Daarbij is ten eerste van belang dat de vordering van EHF een inbreukverbod behelst dat beoogt voort te duren na de onderhavige uitspraak van de rechtbank. Verder geldt dat [partij B] voldoende gelegenheid heeft gekregen om te reageren op het nieuw ingeroepen merkrecht.
Na de door EHF ingediende conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie, tevens houdende een akte aanvulling eis, waarin het beroep op het SWITCH2025-merk is geïntroduceerd, heeft [partij B] driemaal de gelegenheid gehad om te reageren op de gewijzigde grondslag van de vorderingen in conventie, namelijk (i) bij akte uitlating aanvulling van eis/grondslag, tevens akte houdende aanvulling van eis in voorwaardelijke reconventie, (ii) bij akte wijziging van eis in voorwaardelijke reconventie en (iii) tijdens de mondelinge behandeling. Bij die stand van zaken is van strijd met de goede procesorde geen sprake en kan EHF zich op de aanvullende merkregistratie (het SWITCH2025-merk) beroepen.
Nietigheidsverweer: depot te kwader trouw?
5.10.
[partij B] heeft verder aangevoerd dat het SWITCH-merk nietig moet worden verklaard omdat de aanvraag om het merk in te schrijven te kwader trouw is ingediend. [partij B] beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 2.2bis lid 2 BVIE. Volgens [partij B] wist EHF dat [partij B] het teken SWITCHME gebruikte voor dezelfde of soortgelijke waren en diensten en is aannemelijk dat EHF bij de inschrijving het oogmerk had om het verdere gebruik van het teken SWITCHME te verbieden. Daarbij heeft [partij B] betoogd dat van enig relevant gebruik van het teken SWITCH door EHF geen sprake is en dat evenmin aannemelijk is dat EHF dat teken in de toekomst wel zal gebruiken.CHEcddddddddd
5.11.
Het begrip kwade trouw in artikel 2.2bis BVIE is een autonoom begrip van Unierecht, dat eenvormig moet worden uitgelegd. [3] Van nietigheid op grond van kwade trouw is sprake wanneer blijkt dat de aanvraag niet is ingediend om op eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging, maar met het oogmerk afbreuk te doen aan de belangen van derden op een wijze die niet strookt met de eerlijke gebruiken of met het oogmerk een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die vallen onder de functies van het merk, met name de herkomstfunctie. [4] Als van een dergelijk oogmerk sprake is, kan de inschrijving van een merk zonder dat de aanvrager enig voornemen heeft het te gebruiken voor de aangeduide waren en diensten, kwade trouw opleveren. [5] Het (subjectieve) oogmerk van de aanvrager moet op objectieve wijze worden vastgesteld. Hierbij is niet vereist dat een derde een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt waardoor gevaar voor verwarring bestaat. [6]
5.12.
Kwade trouw moet globaal worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waarbij wordt uitgegaan van het moment van indiening van de aanvraag. [7] Met name moet rekening gehouden worden met:
– het feit dat de aanvrager weet of behoort te weten dat een derde in ten minste één lidstaat een gelijk of overeenstemmend teken gebruikt voor dezelfde of een soortgelijke waar, waardoor verwarring kan ontstaan met het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd;
– het oogmerk van de aanvrager om die derde het verdere gebruik van dit teken te beletten; en
– de omvang van de rechtsbescherming die het teken van de derde en het teken waarvoor inschrijving is aangevraagd genieten.
Ten aanzien van het eerst genoemde criterium geldt dat die omstandigheid op zichzelf niet volstaat als bewijs van de kwade trouw van de aanvrager en dat het als tweede genoemde criterium eveneens in aanmerking moet worden genomen.
5.13.
De rechtbank volgt [partij B] niet in zijn verweer op dit punt. EHF heeft voldoende onderbouwd dat zij ten tijde van de registratie van het SWITCH2025-merk de bedoeling had om het teken SWITCH te (gaan) gebruiken en dat zij niet de intentie had een uitsluitend recht te verkrijgen voor andere doeleinden dan die vallen onder de functies van het merk. Daartegenover heeft [partij B] onvoldoende concreet gemaakt dat de aanvraag voor de inschrijving van het SWITCH2025-merk is ingediend met het oogmerk om afbreuk te doen aan de belangen van derden en niet om op eerlijke wijze deel te nemen aan de mededinging. Dit geldt te meer omdat de aanvraag om inschrijving van het SWITCH2025-merk voor EHF vanuit commercieel oogpunt niet onlogisch was. Zij gebruikte het teken SWITCH immers al geruime tijd voor haar lifestyleconcept, trainingen en producten, maar dan in de combinaties “Make the Switch”, “Keep the Switch”, “Repeat the Switch” en “Metabolic Switch”. Daarbij heeft EHF voldoende toegelicht dat zij het SWITCH-merk wil gebruiken voor een nieuwe lijn ‘anti-aging’-producten, en daarvoor een campagne wil lanceren via haar website en sociale media, maar dat zij daarmee heeft gewacht totdat er meer duidelijkheid zou zijn over de geldigheid van het merk “SWITCH”. Dat EHF het SWITCH2025-merk uitsluitend heeft ingeschreven met het oogmerk om het gebruik van het teken SWITCHME door [partij B] te beletten is dan ook niet gebleken.
5.14.
Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag voor de inschrijving van het SWITCH2025-merk niet te kwader trouw is gedaan.
Nietigheidsverweer: geen onderscheidend vermogen, uitsluitend beschrijvend?
5.15.
Volgens [partij B] is het SWITCH-merk verder nietig vanwege het ontbreken van voldoende onderscheidend vermogen. Hij beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 2.2bis lid 1 sub b en c BVIE. [partij B] heeft in dit verband aangevoerd dat het gebruik van het teken SWITCH uitsluitend beschrijvend is, omdat het de hoedanigheid van de waren en diensten die door EHF worden aangeboden aangeeft en niet wordt gebruikt als onderscheidingsteken. SWITCH is slechts een feitelijke beschrijving van het concept ‘sportvasten’, waarbij het gaat om de switch, dus de overgang, van suikerverbranding naar vetverbranding, aldus [partij B] . Verder heeft [partij B] gewezen op een uitspraak van het EUIPO [8] van 29 januari 2022, waarin het EUIPO de inschrijving van het merk “Metabolic Switch” heeft geweigerd omdat het onderscheidend vermogen mist en beschrijvend is voor voedingssupplementen.
5.16.
Op grond van artikel 2.2bis lid 1 sub b en c BVIE kunnen merken nietig worden verklaard die ieder onderscheidend vermogen missen of die uitsluitend bestaan uit tekens of benamingen die in de handel kunnen dienen tot aanduiding van soort, hoedanigheid, bestemming, waarde, plaats van herkomst of tijdstip van vervaardiging van de waren of van verrichting van de dienst of andere kenmerken van de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven.
5.17.
Tekens en aanduidingen die kunnen dienen tot aanduiding van de kenmerken van waren of diensten, worden naar hun aard ongeschikt beschouwd om de herkomstfunctie - het in staat stellen van het publiek om de waren of diensten te onderscheiden van die van andere ondernemingen - van een merk te vervullen. Dergelijke tekens moeten immers door eenieder vrij kunnen worden gebruikt. [9] Voor het oordeel dat een merk beschrijvend is, is voldoende dat het teken of de benaming in minstens één van de potentiële betekenissen een kenmerk van de betrokken waren of diensten kan aanduiden. De uiteindelijke concrete beoordeling van het merk vindt plaats enerzijds in relatie tot de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en anderzijds in relatie tot de perceptie ervan door het relevante publiek, dat bestaat uit de normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument van die waren of diensten. Voorts geldt als referentiebasis de wijze waarop het relevante publiek een betrokken woord normaliter opvat.
5.18.
Anders dan [partij B] heeft betoogd is onvoldoende gebleken dat het SWITCH-merk een aanduiding is van de kenmerken van de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Het woord ‘switch’ heeft meerdere betekenissen. Zo betekent het in werkwoordvorm ‘omschakelen’, ‘overschakelen’ of ‘wisselen’ en als zelfstandig naamwoord de ‘omschakeling’, maar bijvoorbeeld ook het ‘lichtknopje’, de ‘schakelaar’ of de ‘stroomwisselaar’. Uit het betoog van [partij B] is niet af te leiden, en voor de rechtbank valt ook niet in te zien, hoe één van die betekenissen een kenmerk van de waren en diensten waarvoor het SWITCH-merk is ingeschreven kan aanduiden, te weten (samengevat) voedingssupplementen, diëtische voedingsmiddelen en reclame, promotionele activiteiten en commerciële dienstverlening met betrekking tot sport, leefstijl en voeding.
5.19.
De uitspraak van het EUIPO waarnaar [partij B] verwijst maakt dit niet anders. Die uitspraak gaat over “Metabolic Switch” en dus niet over “Switch”. Uit de uitspraak blijkt ook dat het oordeel van het EUIPO alleen betrekking heeft op de woordcombinatie “Metabolic Switch”.
5.20.
Naar het oordeel van de rechtbank is het SWITCH-merk gelet op het voorgaande op zichzelf geschikt om waren of diensten te onderscheiden. Het merk mist niet ieder onderscheidend vermogen en is niet uitsluitend beschrijvend voor de kenmerken van de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven in de zin van artikel 2.2bis lid 1 sub b en c BVIE. Van nietigheid is dan ook geen sprake.
Rechtsverwerking
5.21.
[partij B] heeft zich op het standpunt gesteld dat EHF haar rechten om op te treden tegen het gebruik van het teken “ SwitchMe ” door [partij B] heeft verwerkt. Volgens [partij B] was EHF er sinds 2014 en in ieder geval sinds 2023 van op de hoogte dat [partij B] het teken " SwitchMe " gebruikt, maar heeft zij daar nooit bezwaar tegen gemaakt.
5.22.
EHF heeft betwist dat zij haar rechten heeft verwerkt. EHF heeft gesteld dat partijen in 2014 en 2023 wel contact met elkaar hebben gehad, maar dat daarbij het gebruik van het teken " SwitchMe " door [partij B] op producten of als handelsnaam niet aan de orde is gekomen.
5.23.
Volgens vaste jurisprudentie is het voor een succesvol beroep op rechtsverwerking nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt. [10]
5.24.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij [partij B] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat EHF niet meer zal optreden tegen het gebruik van het teken “ SwitchMe ” door [partij B] . EHF heeft in dit verband voldoende onderbouwd dat partijen tijdens hun eerdere contacten alleen hebben gesproken over de vermeende auteursrechtinbreuk als gevolg van de overname van het trainingsprogramma door [partij B] (in 2014) en over het gebruik van het merk “Fittergy” (in 2023). Dat partijen ook over het gebruik van het teken " SwitchMe " hebben gesproken of dat EHF [partij B] in 2014 of in 2023 heeft aangesproken of gesommeerd om het gebruik van het teken “ SwitchMe ” te staken is dan ook niet gebleken. Weliswaar heeft EHF [partij B] in de brief van 24 april 2023 (zie hiervoor in randnummer 2.7.) verzocht te bevestigen dat de in de brief genoemde inbreuken op de rechten van EHF de enige inbreuken zijn en dat [partij B] niet op andere wijze inbreuk maakt op enig intellectueel eigendomsrecht van EHF, maar vast staat dat EHF op dat moment het merk “SWITCH” nog niet had geregistreerd. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat EHF met betrekking tot het gebruik van “SWITCH” een recht had dat zij kon verwerken en evenmin dat zij de bedoeling heeft gehad om enig recht ten aanzien van het SWITCH-merk prijs te geven.
Merkinbreuk?
5.25.
EHF heeft gesteld dat [partij B] inbreuk maakt op het SWITCH-merk door het gebruik van het teken “ SwitchMe ” ter aanduiding van zijn trainings-/voedingsprogramma en op voedingssupplementen en door het gebruik als handelsnaam en domeinnaam. EHF beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Daarnaast heeft EHF betoogd dat [partij B] met de handelsnaam en domeinnaam in ieder geval inbreuk op haar merkrecht maakt op grond van artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE.
Het gebruik van het teken “ SwitchMe ” voor het aanbieden van een trainings-/voedingsprogramma en voor het verhandelen van voedingssupplementen
5.26.
EHF heeft gesteld dat [partij B] door het gebruik van het teken “ SwitchMe ” voor het aanbieden van een trainings-/voedingsprogramma en voor het verhandelen van voedingssupplementen inbreuk maakt op het SWITCH-merk. Zij heeft haar stelling gebaseerd op artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE.
5.27.
Van inbreuk in de zin artikel 2.20 lid 2 aanhef sub b BVIE, is sprake als het teken (in dit geval het teken “ SwitchMe ”) gelijk is aan of overeenstemt met het merk (in dit geval het SWITCH-merk) en wordt gebruikt met betrekking tot waren of diensten die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Daartoe dient eerst te worden beoordeeld in hoeverre sprake is van visuele, auditieve en/of begripsmatige overeenstemming tussen het merk zoals dat is ingeschreven en het teken zoals dat wordt gebruikt. Deze vergelijking is gebaseerd op de totaalindruk die het merk en het teken in het geheugen van het relevante publiek achterlaten, waarbij in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de onderscheidende en dominante bestanddelen. In deze fase wordt geen rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de waren of diensten in de handel worden gebracht. Als sprake is van (een zekere mate van) overeenstemming, wordt vervolgens het verwarringsgevaar globaal beoordeeld, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken, de mate van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten, de onderscheidingskracht van het merk, de perceptie van het relevante publiek en de wijze waarop het merk en het teken in de praktijk worden gebruikt. Er moet sprake zijn van reëel verwarringsgevaar bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken waren of diensten. Er dient evenwel rekening mee te worden gehouden dat de gemiddelde consument slechts zelden de mogelijkheid heeft verschillende merken en/of tekens rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar aanhaakt bij het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven. Bovendien kan het aandachtsniveau van de gemiddelde consument variëren naargelang de aard van de betrokken producten. [11]
Overeenstemming tussen het merk en het teken
5.28.
De rechtbank is van oordeel dat het teken “SwitchMe” zowel visueel, auditief als begripsmatig in grote mate overeenstemt met het SWITCH-merk. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
5.29.
Allereerst is relevant dat het teken uit het volledige SWITCH-merk bestaat, met de toevoeging “Me”, waarbij het dominante onderdeel van teken wordt gevormd door “Switch”. Zoals uit de in 2.11. en 2.22. weergegeven afbeeldingen blijkt, valt het onderdeel “Me” in het teken in visueel opzicht minder op ten opzichte van het onderdeel “Switch”, omdat het woord “Switch” in dikgedrukte blauwe letters is afgebeeld en het woord “Me” in blauwe letters met een dunne lijn. Daardoor trekt met name het onderdeel “Switch” visueel de aandacht van het relevante publiek en juist dit onderdeel stemt volledig overeen met het SWITCH-merk. Daarmee is sprake van een grote mate van visuele overeenstemming tussen het merk en het teken.
5.30.
Daarnaast heeft EHF terecht benadrukt dat ook auditief sprake is van een grote mate van overeenstemming. In het teken “SwitchMe” is ten opzichte van het merk SWITCH immers slechts de klank van het woord “me” toegevoegd, terwijl de klemtoon bij het uitspreken van het teken aan het begin van het teken ligt, dus op “Switch”, en dat stemt auditief volledig overeen met de uitspraak van het SWITCH-merk.
5.31.
Ten slotte stemmen het merk en het teken ook begripsmatig overeen, omdat het woord ‘switch’ in zowel het merk als het teken voorkomt en het in het teken het dominante bestanddeel is. De gemiddelde consument zal dit woord naar het oordeel van de rechtbank opvatten als een verwijzing naar een omschakeling of wisseling.
Gebruik voor gelijke of overeenstemmende waren en diensten
5.32.
Vast staat dat het SWITCH-merk is ingeschreven in de klassen 5, 30 en 35 voor (samengevat) voedingssupplementen, diëtische voedingsmiddelen en reclame, promotionele activiteiten en commerciële dienstverlening met betrekking tot sport, leefstijl en voeding. Met gebruikmaking van het teken “SwitchMe” biedt [partij B] ook voedingssupplementen aan. Daarnaast bieden EHF en [partij B] onder het merk, respectievelijk het teken, beiden een trainings-/voedingsprogramma aan, met name gericht op afvallen en op de overgang van suikerverbranding naar vetverbranding, waarvan de aangeboden voedingssupplementen onderdeel uitmaken. Daarmee zijn de waren en diensten waarvoor het teken “SwitchMe” wordt gebruikt identiek, althans in grote mate overeenstemmend met het SWITCH-merk.
Verwarringsgevaar
5.33.
Reeds gelet op de grote mate van overeenstemming tussen het SWITCH-merk en het teken “SwitchMe” en het gebruik daarvan voor gelijke althans overeenstemmende waren en diensten, is de rechtbank van oordeel dat er een reëel gevaar voor verwarring bestaat bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument van die waren en diensten. Dit geldt te meer nu EHF en [partij B] hun waren en diensten aanbieden aan hetzelfde publiek en op dezelfde markt, namelijk die voor consumenten die op zoek zijn naar een programma en/of voedingssupplementen om af te vallen en/of gezonder te worden. Dit publiek kan de waren en diensten die onder het SWITCH-merk en het teken “SwitchMe” worden aangeboden met elkaar verwarren of menen dat de waren en diensten van dezelfde of met elkaar verbonden ondernemingen afkomstig zijn. Dit betekent dat er gevaar voor verwarring bestaat bij het relevante publiek.
5.34.
De conclusie van het voorgaande is dat [partij B] door het gebruik van het teken “SwitchMe” inbreuk maakt op het merkrecht van EHF in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE.
Het gebruik van het teken “SwitchMe” als handelsnaam/domeinnaam
5.35.
EHF heeft gesteld dat [partij B] inbreuk maakt op het SWITCH-merk door het teken “ SwitchMe ” als handelsnaam en domeinnaam te gebruiken en zij baseert die inbreuk allereerst op artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Volgens EHF gebruikt [partij B] de handelsnaam en domeinnaam ter onderscheiding van de door hem aangeboden waren en diensten.
5.36.
Op grond van artikel 2.20 lid 3 sub d BVIE in samenhang met artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE kan de merkhouder het gebruik van een met het merk overeenstemmend teken als (deel van een) handelsnaam, verbieden, als de waren en diensten waarvoor dat teken en het merk worden gebruikt, overeenstemmen. Hiervoor is vereist dat de handelsnaam zodanig wordt gebruikt dat een verband ontstaat tussen die naam en de waren die de vermeende inbreukmaker in de handel brengt of de diensten die hij verricht. [12] Naar het oordeel van de rechtbank is aan dit vereiste in dit geval niet voldaan. Er is immers geen (duidelijk) verband te leggen tussen het gebruik van het teken “SwitchMe” en het aanbieden van een trainings-/voedingsprogramma en voedingssupplementen. Om dezelfde reden heeft het gebruik van de domeinnaam “ [website 1] ” naar het oordeel van de rechtbank te gelden als gebruik anders dan ter onderscheiding van waren en diensten.
5.37.
Voor zover EHF haar stelling dat [partij B] met de handelsnaam en domeinnaam inbreuk maakt op het SWITCH-merk heeft gebaseerd op artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE overweegt de rechtbank dat EHF zich op grond van dat artikel kan verzetten tegen het gebruik van een teken anders dan ter onderscheiding van waren of diensten, indien door dat gebruik, zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk. Als geldige reden in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub d BVIE kan ook het voeren van een oudere handelsnaam worden aangemerkt. [partij B] heeft er in dit verband terecht op gewezen dat hij het teken “SwitchMe” al ruim voor de inschrijving van het SWITCH-merk in 2025 als handelsnaam gebruikte. Dit betekent dat het gebruik van het teken “SwitchMe” als handelsnaam en domeinnaam niet door EHF kan worden belet met een beroep op het SWITCH2025-merk.
5.38.
Van de door EHF gestelde inbreuk op haar merkrecht door het gebruik van het teken als handelsnaam/domeinnaam is gelet op het voorgaande geen sprake.
De vorderingen in conventie
5.39.
EHF heeft de vorderingen ingesteld namens zowel EHF Nutrition als EHF Group. EHF Group is houder van het SWITCH-merk en daarom vorderingsgerechtigd in deze procedure. Door EHF is niet gesteld dat EHF Nutrition houder is van enig relevant merkrecht en/of anderszins vorderingsgerechtigd is. De vorderingen voor zover ingesteld door EHF Nutrition zullen dus worden afgewezen. Verder zal EHF Group niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover zij zich baseert op het SWITCH2024-merk (zie 5.4 hiervoor).
Vordering 1.
5.40.
Nu in het op te leggen inbreukverbod reeds het oordeel ligt besloten dat [partij B] inbreuk maakt op het SWITCH-merk (en aldus op de intellectuele eigendomsrechten van EHF), valt – zonder nadere toelichting van EHF, die ontbreekt – voor de rechtbank niet in te zien welk belang EHF heeft bij toewijzing van een verklaring voor recht met eenzelfde strekking. De rechtbank zal deze vordering daarom bij gebrek aan belang afwijzen.
Vordering 2.
5.41.
Gelet op hetgeen in 5.25 tot en met 5.34 is overwogen, wordt het onder 2. gevorderde verbod op inbreuk op het SWITCH2025-merk toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing is weergegeven. Daarbij zal het verbod worden beperkt tot de door EHF concreet gemaakte inbreuk, waaronder in ieder geval is begrepen het gebruik van het teken “SwitchMe” voor voedingssupplementen en/of een trainings-/voedingsprogramma. Voor zover de vordering verder strekt wordt deze afgewezen, omdat deze te onbepaald en door EHF onvoldoende onderbouwd is.
5.42.
Om executieproblemen te voorkomen en om tegemoet te komen aan de (naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijke) wens van [partij B] om een langere termijn te krijgen om aanpassingen aan zijn bedrijfsvoering te kunnen doen, zal de termijn waarbinnen [partij B] de inbreuk dient te staken worden bepaald op twee maanden na betekening van het vonnis. De rechtbank acht deze termijn voldoende om de inbreukmakende tekens te verwijderen en een
rebrandingdoor te voeren.
Vorderingen 3. en 4.
5.43.
De vorderingen 3. en 4. tot het staken van het gebruik van het SWITCH-merk of een daarmee overeenstemmend teken als onderdeel van enige handelsnaam of bedrijfsnaam en tot het overdragen van de domeinnaam “ [website 1] ” worden afgewezen, zoals hiervoor in 5.35 tot en met 5.38 is overwogen.
Vordering 5.
5.44.
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat [partij B] inbreuk maakt op het SWITCH-merk, is de gevorderde veroordeling tot opgave van informatie op grond van artikel 2.22 lid 4 BVIE toewijsbaar. [partij B] heeft aangevoerd, maar niet onderbouwd, dat het doen van opgave buitenproportionele gevolgen voor hem heeft. De rechtbank zal de aanvangsdatum van de periode waarover opgave moet worden gedaan bepalen op 21 februari 2025, zijnde de datum waarop het SWITCH2025-merk is ingeschreven. Dat is immers het moment waarop [partij B] voor het eerst inbreuk heeft gemaakt op het SWITCH2025-merk. Verder zal de opgave worden beperkt tot de Benelux. Ten slotte zal in redelijkheid worden bepaald dat [partij B] de opgave moet doen uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis. Door de vordering aldus toe te wijzen wordt naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate tegemoet gekomen aan de bezwaren van [partij B] .
5.45.
De gevorderde verklaring van een registeraccountant dat de opgave juist en volledig is, zal worden afgewezen. Het gevorderde komt erop neer dat de registeraccountant een verklaring geeft dat de opgave, voor zover verifieerbaar, een getrouwe weergave van de werkelijkheid vormt en/of dat er geen aanwijzingen zijn dat de opgave onjuist of onvolledig is. Dit vormt een opdracht die aspecten van
assuranceheeft, die de accountant op grond van zijn beroepsregels alleen kan geven als aan specifieke vereisten is voldaan, waarvan in deze procedure niet is gebleken. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat toewijzing van een daarop gerichte vordering tot executieproblemen kan leiden, aangezien een registeraccountant op grond van zijn beroepsregels niet zonder meer conclusies kan trekken die zekerheid geven over de juistheid en volledigheid van de opgave. [13]
Vorderingen 6. en 8.
5.46.
Om verdere inbreuken te beëindigen of te voorkomen zullen de gevorderde recall en afgifte ter vernietiging worden toegewezen. Daarbij zal [partij B] worden verplicht om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een brief aan zijn commerciële afnemers te sturen met de hierna in de beslissing vermelde inhoud, waarbij die inhoud zal worden beperkt tot het SWITCH2025-merk. Met betrekking tot de termijn voor vernietiging van de voorraad heeft [partij B] aangevoerd dat de door EHF gevorderde termijn veel te kort is. Rekening houdend met de belangen van [partij B] zal die termijn daarom in redelijkheid worden bepaald op vier weken na de recall. De vorderingen 6. en 8. worden met inachtneming van het voorgaande toegewezen, zoals hierna onder de beslissing wordt vermeld.
Vordering 7.
5.47.
Met betrekking tot de gevorderde rectificatie heeft [partij B] terecht opgemerkt dat daarin tot uitdrukking moet komen dat het alleen gaat om het SWITCH-merk en niet, zoals in de door EHF voorgestelde tekst is opgenomen, “de merkenrechten van EHF Group B.V.”. De gevorderde rectificatie zal daarom met inachtneming van het voorgaande worden toegewezen.
Vordering 9.
5.48.
Oplegging van dwangsommen als prikkel tot nakoming van het op te leggen inbreukverbod en de overige veroordelingen is aangewezen. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd, een en ander zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
Vordering 10.
5.49.
[partij B] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. EHF vordert proceskosten op de voet van 1019h Rv en heeft een bedrag van € 29.307,50 aan honorarium advocaten, € 688,-- aan griffierecht en € 190,84 aan deurwaarderskosten opgevoerd (en voor wat betreft de advocaatkosten gespecificeerd). [partij B] heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5.50.
De zaak in conventie gaat over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019h Rv. Om de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Onderhavige zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie normale bodemzaken met een maximumtarief van € 17.500,--. Dit bedrag zal aan advocaatkosten worden toegewezen; het meer gevorderde wordt afgewezen. Het door EHF opgevoerde bedrag aan deurwaarderskosten is niet gespecificeerd. De op de inleidende dagvaarding vermelde kosten van betekening bedragen € 112,37 (exclusief btw). Dit bedrag zal worden toegewezen en het meer gevorderde wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen.
5.51.
Tot aan dit vonnis worden de proceskosten in conventie aan de zijde van EHF als volgt vastgesteld:
- dagvaarding € 112,37
- griffierecht € 688,--
- honorarium (1019h Rv) € 17.500,--
- nakosten € 139,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 18.439,37
5.52.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In voorwaardelijke reconventie
5.53.
De rechtbank stelt vast dat de voorwaarden die [partij B] aan zijn vorderingen heeft verbonden niet in vervulling zijn gegaan, Aan de beoordeling van de reconventionele vorderingen wordt daarom niet toegekomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie
6.1.
wijst de vorderingen van EHF Nutrition af;
6.2.
verklaart EHF Group niet-ontvankelijk in haar vorderingen voor zover gebaseerd op het SWITCH2024-merk;
6.3.
beveelt [partij B] om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op het SWITCH2025-merk van EHF Group in de Benelux te staken en gestaakt te houden, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van het teken “SwitchMe” voor voedingssupplementen en/of een trainings-/voedingsprogramma;
6.4.
veroordeelt [partij B] om EHF Group uiterlijk binnen vier weken na betekening van dit vonnis te doen toekomen een schriftelijke opgave over de periode vanaf 21 februari 2025, voor zover dit ziet op de Benelux, van de volgende informatie:
de afnemers (voor zover bekend), alsmede de verkochte aantallen, prijzen, leverdata en afleveradressen van de producten met daarop aangebracht en/of aangehecht op enigerlei wijze het teken “SwitchMe”, gerangschikt per afnemer, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen en onder mededeling van adres(sen), e-mailadres(sen), telefoon- en faxnummer(s) van de afnemers;
de bij [partij B] nog aanwezig voorraad van producten met daarop aangebracht en/of aangehecht op enigerlei wijze het teken “SwitchMe” onder vermelding van de locatie waar deze zich bevinden, alsmede de aantallen van deze producten;
de met de producten met daarop aangebracht en/of aangehecht op enigerlei wijze het teken “SwitchMe” gemaakte omzet en winst, alsmede de verschillende ter berekening van de winst op de omzet in mindering gebrachte kostenposten, voorzien van duidelijke en gedetailleerde schriftelijke bewijsstukken van iedere kostenpost;
6.5.
veroordeelt [partij B] om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan al haar commerciële afnemers van producten met daarop op enige wijze aangebracht, aangehecht of anderszins verband houdend met het teken “SwitchMe”, een brief te zenden met als doel dat de commerciële afnemers ieder gebruik van het teken “SwitchMe” te staken en de inbreukmakende producten aan [partij B] terugzenden (recall) met toezending, binnen vijf dagen na verzending, van alle kopieën van deze berichten naar de afnemers aan de advocaten van EHF Group, waarbij de brief aan de commerciële afnemers de volgende inhoud heeft:
“Geachte […],
Bij vonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de voedingssupplementen (Inbreukmakende Producten) die wij u hebben verkocht en geleverd onder het teken SWITCHME, inbreuk maken op het merkrecht van EHF Group B.V. en dat wij daardoor onrechtmatig hebben gehandeld.
In verband hiermee verzoeken wij u zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vijf dagen na heden de bij u aanwezige voorraad van deze Inbreukmakende Producten aan ons te retourneren, en ieder gebruik van het teken SWITCHME te staken en, voor zover van toepassing, van uw website en/of uit uw winkel te verwijderen, vergezeld van een schriftelijke verklaring dat er geen (exemplaren van deze ) Inbreukmakende Producten meer bij uw onderneming aanwezig zijn. Door u gemaakte kosten, waaronder verzendkosten, zullen door ons worden vergoed. Voor de goede orde wijzen wij erop dat het in voorraad houden en/of verhandelen van bovenbedoelde Inbreukmakende Producten inbreuk maakt op het exclusieve recht van EHF Group B.V. Indien u niet aan deze oproep gevolg geeft, loopt u het risico dat EHF Group B.V. rechtsmaatregelen jegens u zal treffen.
Met vriendelijke groet / Hoogachtend,
[…]”;
6.6.
beveelt [partij B] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis op haar website een rectificatie te plaatsen met de volgende tekst:
“Geachte […],
Bij vonnis van 3 december 2025 heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de producten die wij u hebben verkocht en geleverd en de diensten die wij hebben aangeboden onder het teken SWITCHME, inbreuk maken op het merkrecht van EHF Group B.V. en dat wij daardoor onrechtmatig hebben gehandeld.
In verband hiermee stoppen wij direct met enig gebruik van het teken SWITCHME. Wilt u alstublieft ook ieder gebruik van het teken SWITCHME staken en, voor zover van toepassing, van uw website en/of uit uw winkel verwijderen?
Met vriendelijke groet / Hoogachtend,
[…]”;
6.7.
beveelt [partij B] om uiterlijk binnen vier weken na de hiervoor in 6.5 genoemde recall de volledige voorraad aan inbreukmakende producten, waaronder ook de teruggeroepen producten, op kosten van [partij B] en onder toezicht van een door [partij B] te betalen gerechtsdeurwaarder te laten vernietigen en binnen twee dagen na deze vernietiging een op kosten van [partij B] opgesteld proces-verbaal van constatering van de vernietiging toe te zenden aan de advocaten van EHF Group;
6.8.
veroordeelt [partij B] tot betaling aan EHF Group van een dwangsom van € 2.500,-- ineens voor iedere overtreding van de in 6.3 tot en met 6.7 opgelegde veroordelingen en van € 500,-- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat die overtreding voortduurt, tot een maximum van in totaal € 100.000,--;
6.9.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 18.439,37, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] € 46,-- extra betalen, plus de kosten van betekening;
6.10.
veroordeelt [partij B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In voorwaardelijke reconventie
6.13.
stelt vast dat aan de voorwaarden waaronder de reconventionele vorderingen zijn ingesteld niet is voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Hoefnagel en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2025.

Voetnoten

1.Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom
2.Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9707, r.o. 4.2.1
3.HvJ 27 juni 2013, C-320/12, ECLI:EU:C:2012:435 (Malaysia Dairy), r.o. 29
4.HvJ 29 januari 2020, C-371/18, ECLI:EU:C:2020:45 (Sky/Skykick), r.o. 74-75.
5.HvJ 29 januari 2020, C-371/18, ECLI:EU:C:2020:45 (Sky/Skykick), r.o. 74-75.
6.HvJ 12 september 2019, C-104/18, ECLI:EU:C:2019:724 (Koton), r.o. 51-56.
7.HvJ 12 september 2019, C-104/18, ECLI:EU:C:2019:724 (Koton), r.o. 47; HvJ 11 juni 2009, C-529/07, ECLI:EU:C:2009:361 (Lindt & Sprungli), r.o. 41-42
8.European Union Intellectual Property Office
9.HvJ EU 4 mei 1999, ECLI:EU:C:1999:230 (Windsurfing Chiemsee), HvJ EU 23 oktober 2003, ECLI:EU:C:2003:579 (Doublemint)
10.Hoge Raad 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, r.o. 3.4
11.HvJ 4 maart 2020, C 328/18 P, ECLI:EU:C:2020:156 (EUIPO / Equivalenza Manufactory) en de daarin genoemde oudere rechtspraak
12.HvJ 11 september 2007, C-17/06, ECLI:EU:C:2007:497 (Céline), r.o. 23
13.Gerechtshof Den Haag 24 juli 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:1907, r.o. 5.11