ECLI:NL:RBDHA:2025:23137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
24/5512
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tegemoetkoming in planschade en normaal maatschappelijk risico in bestuursrechtelijke context

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak tussen eisers, vertegenwoordigd door mr. D. Quakernaat, en het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk, vertegenwoordigd door C.M. Kortekaas en E. Groeneveld. De zaak betreft een verzoek om tegemoetkoming in planschade, waarbij eisers een bedrag van € 16.850,- was toegekend door het college in een eerder besluit van 17 oktober 2023. Dit besluit werd in een later besluit van 8 mei 2024 gehandhaafd, waartegen eisers beroep instelden.

De rechtbank heeft op zitting de argumenten van beide partijen gehoord. Eisers betoogden dat de bouw van vijf woningen, mogelijk gemaakt door een bestemmingsplan en een uitwerkingsplan, niet paste in de ruimtelijke structuur van de omgeving. De rechtbank oordeelde echter dat het college in redelijkheid kon stellen dat de woningen, ondanks een hogere goothoogte, naar hun aard en omvang wel degelijk pasten in de omgeving. De rechtbank concludeerde dat het college terecht een normaal maatschappelijk risico van 5% had toegepast, wat betekent dat het beroep van eisers ongegrond werd verklaard. De uitspraak werd onmiddellijk na de zitting gedaan, en partijen werden gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/5512
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eisers] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. D. Quakernaat),
en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk

(gemachtigden: C.M. Kortekaas en E. Groeneveld).

Inleiding

1. In het besluit van 17 oktober 2023 heeft het college de aanvraag van eisers om een tegemoetkoming in planschade toegewezen en eisers een bedrag van € 16.850,- toegekend.
1.1.
In het besluit van 8 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het besluit van 17 oktober 2023 gehandhaafd.
1.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, vergezeld door mr. T. Ten Have, en de gemachtigden van verweerder.
1.5.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. Het gaat in deze zaak om een verzoek om tegemoetkoming in planschade. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers planschade hebben geleden door de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Breevaart, Oude Tol fase III, Meentweide op 24 november 2017 (bestemmingsplan Meentweide) en het uitwerkingsplan Breevaart, Oude Tol fase III – Hooiweide 2018 (uitwerkingsplan Hooiweide), vastgesteld bij besluit van 12 juni 2018. Deze planologische wijzigingen maken onder meer de bouw van vijf woningen op de Meentweide mogelijk.
2.1.
Tussen partijen is wel in geschil of het college in dit geval had mogen uitgaan van een normaal maatschappelijk risico van 5%. Partijen zijn het er over eens dat in dit geval sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling. Zij zijn het niet eens over de vraag of de planologische ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, komt in ieder geval betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past.
2.2.
Volgens eisers passen de vijf woningen niet in de ruimtelijke structuur van de omgeving, met name omdat deze een grotere goothoogte hebben.
2.3.
De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog. Het college heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningen naar hun aard passen in de structuur van de omgeving. De locatie van de vijf woningen betreft een inbreilocatie, binnen de bebouwde kom, aan alle kanten omringd door woningen. Dat het gaat om een ander type woning dan in de directe omgeving veel voorkomt maakt niet dat deze woningen naar hun aard niet zouden passen in de ruimtelijke structuur.
2.4.
Het college heeft zich ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woningen naar hun omvang passen in de ruimtelijke structuur van de omgeving. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de maximale bouwhoogte van 11 meter gelijk is aan de maximale bouwhoogte die geldt voor een groot deel van de woningen in de omgeving. De goothoogte van 10 meter is wel hoger dan gebruikelijk in de omgeving en dit heeft het mogelijk gemaakt dat er woningen in een andere vorm zijn gebouwd, met drie volwaardige bouwlagen. Dit maakt echter niet dat sprake is van een zodanig andere omvang van de vijf nieuwe woningen dat niet meer kan worden gesproken van woningen die passen in de ruimtelijke structuur. In woonbuurten komt het vaker voor dat er grotere en kleinere woningen in dezelfde omgeving zijn gelegen.
2.5.
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 25 november 2015 [1] leidt niet tot een ander oordeel. Ten eerste staat daarin dat niet in geschil is tussen partijen dat de woningen niet volledig passen binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving, zodat de Afdeling daarover geen eigen oordeel heeft gegeven. Ten tweede kan de rechtbank uit die uitspraak niet afleiden dat sprake was van een volledig vergelijkbare situatie, waarbij nieuwe woningen werden gebouwd op een inbreilocatie binnen een reeds bestaande woonbuurt.
2.6.
Dit betekent dat het college terecht een normaal maatschappelijk risico van 5% heeft kunnen toepassen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025 door mr. J. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.