Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen om vóór 30 juli 2025 een beslissing te nemen, maar de minister heeft dit nagelaten.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ontvankelijk en gegrond is. Hoewel het dossier mogelijk nog niet compleet is, acht de rechtbank gezien de eerdere termijn en het tijdsverloop een termijn van vier weken na deze uitspraak redelijk om alsnog een besluit te nemen.
Om naleving van deze termijn te bevorderen, legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.