De moeder verzocht de rechtbank Den Haag om de vader te bevelen hun minderjarige kind onmiddellijk terug te geleiden naar Nederland, waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Partijen zijn gehuwd in Estland en oefenen gezamenlijk gezag uit over het kind. De vader had het kind zonder toestemming van de moeder meegenomen naar Estland.
De rechtbank toetste ambtshalve haar bevoegdheid op grond van het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad kan een verzoek tot teruggeleiding alleen worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt, in dit geval Estland.
Omdat Estland partij is bij het Verdrag en het kind zich daar bevindt, verklaarde de rechtbank zich onbevoegd. De moeder dient haar verzoek in Estland aanhangig te maken. De beslissing betreft een ordemaatregel en niet een inhoudelijke beoordeling van het gezag of het belang van het kind.