Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, ingediend op 22 januari 2024. De minister ontving de aanvraag en moest binnen zes maanden beslissen, maar verlengde aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden onder een beleidsregel die later werd ingetrokken. Hierdoor geldt weer een beslistermijn van zes maanden.
Van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold een besluitmoratorium voor Syriërs, waardoor de minister niet op asielaanvragen van Syriërs besliste. Dit moratorium verlengde de beslistermijn met één jaar tot maximaal 21 maanden. Eiser stelde de minister op 20 augustus 2024 in gebreke en diende op 5 september 2024 beroep in, toen het moratorium nog niet van kracht was, waardoor het beroep ontvankelijk is.
De rechtbank oordeelt dat de aanvraag van eiser onder het moratorium valt en dat de beslistermijn uiterlijk op 22 juli 2025 afloopt. Omdat deze termijn nog niet verstreken was op het moment van uitspraak, is het beroep kennelijk ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op € 453,50 vanwege de inschakeling van professionele juridische hulp en de aard van de procedure.