Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, ingediend op 19 februari 2025. De minister had volgens de wet binnen zes maanden moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eiser stelde de minister op 28 augustus 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna het beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft gehandeld. De minister had aanvankelijk de beslistermijn verlengd, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt. Ook wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier J.M. Pattynama op 17 oktober 2025.