Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 2 april 2024. De minister ontving de aanvraag en had zes maanden om te beslissen, maar stelde de beslissing niet binnen deze termijn vast. Eiser stelde de minister op 5 september 2025 schriftelijk in gebreke en diende daarna tijdig beroep in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn heeft beslist. De minister had aanvankelijk de beslistermijn verlengd met negen maanden onder toepassing van een beleidsregel, maar deze is ingetrokken, waardoor de reguliere termijn van zes maanden weer geldt.
De rechtbank legt de minister een termijn van zestien weken op om alsnog te beslissen, waarbij binnen acht weken na verzending van het vonnis een nader gehoor omtrent de asielmotieven van eiser moet worden afgenomen en binnen acht weken daarna het besluit bekendgemaakt moet worden. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van € 453,50, vanwege de inschakeling van juridische hulp en het beperkte onderwerp van het beroep. De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier J.M. Pattynama op 31 oktober 2025.