In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie, omdat deze niet tijdig heeft beslist op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, ingediend op 23 augustus 2024. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de aanvraag niet binnen de wettelijk vereiste termijn van zes maanden heeft behandeld. Eiseres heeft de minister op 9 september 2025 in gebreke gesteld, maar heeft meer dan twee weken gewacht met het indienen van beroep. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet tijdig heeft beslist.
De rechtbank heeft de minister een termijn van acht weken opgelegd om een gehoor af te nemen over de asielmotieven van eiseres en binnen acht weken na dat gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Eiseres heeft recht op een vergoeding van de proceskosten, die is vastgesteld op € 453,50, omdat zij een professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld voor het indienen van haar beroepschrift.
De uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman en is openbaar gemaakt op 23 oktober 2025. De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot het nemen van een besluit binnen de gestelde termijnen en heeft de proceskosten aan eiseres toegewezen.