ECLI:NL:RBDHA:2025:23328

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL25.23039
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag op basis van gezinsleven en artikel 8 EVRM

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 8 december 2025, is de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Eiseres, van Syrische nationaliteit, had de aanvraag ingediend om bij haar dochter, referent, te kunnen verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen op basis van het feit dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing, waarbij zij verschillende beroepsgronden aanvoert.

De rechtbank heeft de zaak op 12 november 2025 behandeld, waarbij de referent, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en haar referent, noch tussen eiseres en haar kleinkinderen. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen zorg kan krijgen van anderen in haar omgeving en dat de zorg die haar kleinkinderen bieden niet boven de gebruikelijke zorg uitkomt.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er geen sprake is van een beschermingswaardig gezinsleven, en verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23039

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel “verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar dochter [naam 2] (referent). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag heeft kunnen afwijzen omdat er tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar kleinkinderen geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. [1] Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf bij haar dochter. Omdat referent ook voor haar twee kinderen een mvv-aanvraag heeft gedaan, heeft de minister ook beoordeeld of er sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar kleinkinderen (de kinderen van eiseres). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid?
3. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft ten onrechte geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiseres aangenomen. Eiseres voert hiertoe aan dat haar kleinkinderen haar hebben bijgestaan in het dagelijks leven en dat deze zorg verderging dan de normale zorg die kleinkinderen aan hun grootouders verlenen. Eiseres is in vergaande mate afhankelijk geweest van deze zorg door de kleinkinderen. De minister is er verder aan voorbij gegaan dat er geen andere personen zijn die de zorg aan eiseres kunnen verlenen. Eiseres heeft geen netwerk in Syrië waar zij op terug kan vallen. De hulp die eerder door derden geboden is, is steeds onzeker en van tijdelijke aard geweest. Ook is er ruzie binnen de familie.
3.1.
Uit vaste rechtspraak van het EHRM [2] volgt dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen (groot)ouders en hun meerderjarige (klein)kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de rechtspraak volgt ook dat de vraag of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is en afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij kan bijvoorbeeld van belang zijn of de familieleden hebben samengewoond, de mate van emotionele afhankelijkheid, de mate van financiële afhankelijkheid, de medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst.
3.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en referent en tussen eiseres en haar kleinkinderen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de benodigde (medische) zorg niet kan krijgen van anderen in haar omgeving. Daarbij is van belang dat eiseres – ook tijdens het verblijf van de kleinkinderen in Syrië – door anderen dan haar kleinkinderen is verzorgd. Eiseres en de kleinkinderen woonden na het vertrek van referent dan wel samen maar niet is gebleken dat de door de kleinkinderen verleende zorg, binnen de context van het samenwonen, de gebruikelijke zorg tussen kleinkinderen en grootouders overstijgt. Verder is van belang dat eiseres haar hele leven in Syrië heeft gewoond. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het waarschijnlijk is dat overige familieleden of vrienden of anderen in haar omgeving voor eiseres kunnen zorgen als dat nodig is. Door eiseres is niet onderbouwd dat zij geen beroep kan doen op de hulp van andere familieleden of haar omgeving in Syrië. De enkele stellingen dat de tot nu toe door derden gegeven zorg tijdelijk is en dat er ruzie is binnen de familie zijn daarvoor onvoldoende. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting verder terecht opgemerkt dat de beroepsgronden zich enkel richten op de medische omstandigheden van eiseres. De overige elementen zijn door eiseres niet bestreden.
3.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke band tussen eiseres en referent en eiseres en haar kleinkinderen overstijgt. De minister heeft daarom terecht overwogen dat er tussen eiseres en referent en eiseres en haar kleinkinderen geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Conclusie en gevolgen

4. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geoordeeld dat geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiseres en referent en tussen eiseres en de kleinkinderen op grond van artikel 8 van het EVRM, zodat de gevraagde mvv terecht is afgewezen.
5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.