ECLI:NL:RBDHA:2025:23328
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag op basis van gezinsleven en artikel 8 EVRM
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 8 december 2025, is de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. Eiseres, van Syrische nationaliteit, had de aanvraag ingediend om bij haar dochter, referent, te kunnen verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvraag afgewezen op basis van het feit dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen deze afwijzing, waarbij zij verschillende beroepsgronden aanvoert.
De rechtbank heeft de zaak op 12 november 2025 behandeld, waarbij de referent, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn tussen eiseres en haar referent, noch tussen eiseres en haar kleinkinderen. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen zorg kan krijgen van anderen in haar omgeving en dat de zorg die haar kleinkinderen bieden niet boven de gebruikelijke zorg uitkomt.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er geen sprake is van een beschermingswaardig gezinsleven, en verklaart het beroep van eiseres ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na bekendmaking.