Eiser is op 19 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000. Hij betoogde dat hij ten onrechte in bewaring is gesteld omdat hij geen asiel wilde aanvragen en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De maatregel is op 21 november 2025 opgeheven, waarna het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden behandeld.
De rechtbank oordeelt dat eiser tijdens het gehoor wel degelijk asielgerelateerde vrees heeft geuit, hetgeen de keuze van verweerder om eiser in bewaring te stellen op grond van artikel 59b rechtvaardigt. Het standpunt van eiser dat de maatregel slechts bedoeld was om meer tijd te verkrijgen voor toetsing aan het non-refoulementbeginsel wordt verworpen. Ook is geoordeeld dat de afwegingen omtrent zware en lichte gronden voor bewaring juist zijn toegepast.
Verder is vastgesteld dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat geen lichter middel toereikend was, mede vanwege het gedrag van eiser, zoals het niet verschijnen bij een gehoor en pogingen om Nederland te verlaten. De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.