Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingediend op 20 maart 2024. De minister heeft de beslistermijn van zes maanden overschreden en is na ingebrekestelling door eiser op 28 augustus 2025 niet binnen twee weken tot besluit gekomen.
De rechtbank stelt vast dat de minister aanvankelijk de beslistermijn met negen maanden had verlengd op basis van een beleidsregel, maar deze verlenging is ingetrokken, waardoor de standaardtermijn van zes maanden weer geldt. De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om alsnog een besluit te nemen en verbindt daaraan een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, vastgesteld op €453,50, vanwege het inschakelen van professionele juridische hulp. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en verklaart het beroep gegrond, waarmee eiser in het gelijk wordt gesteld.