ECLI:NL:RBDHA:2025:23409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 23/7229
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor aanleg uitweg door college van burgemeester en wethouders van Den Haag

Deze uitspraak betreft de weigering van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van een uitweg. Eiser, eigenaar van een garage op een perceel in Den Haag, heeft de vergunning aangevraagd omdat hij zonder uitweg zijn garage niet kan gebruiken voor het stallen van zijn auto. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank op 25 april 2023, waarin het beroep van eiser gegrond werd verklaard en het college werd opgedragen om opnieuw te beslissen, heeft het college op 20 september 2023 opnieuw het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat het beroep van eiser gegrond is. De rechtbank concludeert dat de weigering van het college niet voldoende is gemotiveerd en dat er geen zeer bijzondere omstandigheden zijn die de weigering kunnen dragen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met het bijzondere belang van eiser bij de uitwegvergunning en dat de motivering van het bestreden besluit ondeugdelijk is. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om te reageren op de nieuw uit te brengen adviezen. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7229

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. Nagtegaal)
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. F. van Ommeren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om aan eiser een omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van een uitweg (uitwegvergunning). Eiser heeft die vergunning aangevraagd omdat hij eigenaar is van een garage op het perceel [perceel] in [plaats] die hij zonder uitweg niet kan gebruiken voor het stallen van zijn auto. Omdat eiser het niet eens is met de weigering van het college met het besluit van 16 oktober 2020, heeft hij daartegen bezwaar gemaakt.
1.1.
Tegen het besluit van 21 mei 2021 waarbij het college het bezwaar van eiser ongegrond heeft verklaard en is gebleven bij zijn weigering om aan eiser een uitwegvergunning te verlenen, is eiser in beroep gegaan. In haar uitspraak van 25 april 2023 (zaaknummer SGR 21/4420) heeft de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van die uitspraak. Het college heeft zich daarbij neergelegd.
1.2.
Met het nieuwe besluit op bezwaar van 20 september 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het college gebleven bij zijn weigering om aan eiser de door hem gevraagde uitwegvergunning te verlenen. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daarom daartegen beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting schriftelijk vragen gesteld waar partijen op hebben gereageerd.
2.3.
Eiser heeft nadere stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Omdat de uitwegvergunning op 16 juli 2020 is aangevraagd, blijft de Wabo van toepassing.
De betekenis van de vorige rechtbankuitspraak in deze procedure
4. Tegen de hiervoor vermelde uitspraak van deze rechtbank van 25 april 2023 is geen hoger beroep ingesteld. Gelet op de zogeheten Brummen-rechtspraak [1] van de van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dient de rechtbank in deze procedure uit te gaan van de juistheid van de in die uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordelen.
Is het bestreden besluit op de juiste wijze tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd?
5. De totstandkoming van het bestreden besluit is volgens eiser ondeugdelijk en de motivering daarvan ook. Het bestreden besluit steunt op nieuwe adviezen, maar eiser heeft daarop in bezwaar niet kunnen reageren. Uit informatie die eiser op grond van de Wet open overheid (Woo) van het college heeft verkregen, blijkt bovendien dat die adviezen door het college zelf zijn aangepast. Ook de belangenafweging die het college heeft gemaakt deugt niet. Nergens blijkt dat rekening is gehouden met het bijzondere belang van eiser bij een uitwegvergunning of dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden aan de zijde van het college die aan het (alsnog) verlenen daarvan in de weg staan. De handelwijze van het college getuigt volgens eiser van vooringenomenheid en strijd met het fair play-beginsel. Eiser verzoekt de rechtbank dan ook met klem om zelf in de zaak te voorzien door de gevraagde vergunning te verlenen. De rechtbank overweegt als volgt.
5.1.
Volgens vaste rechtspraak mag het college afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de die wet voor andere adviseurs. [2]
5.2.
Uit de informatie die eiser op grond van de Woo van het college over deze zaak heeft verkregen, blijkt dat het college de adviezen zelf heeft aangepast. Het college heeft dat op zitting ook erkend. Zo vermeldt een mailbericht van 14 september 2023 onder meer:
“Ik heb zelf die wijzingen nav het HOR [3] toegevoegd en gecontroleerd. De adviezen heb ik wat uitgebreid in het kader van de belangenafweging, omdat sommige zaken niet voldoende waren gemotiveerd (…).”In het dossier bevindt zich geen exemplaar van het oorspronkelijke adviezen, zodat niet is na te gaan hoe deze hebben geluid. Ook ter zitting heeft het college daar geen helderheid over kunnen verschaffen. Voor de rechtbank is aldus niet na te gaan in hoeverre het college de adviezen heeft aangepast om beter aan te sluiten bij zijn eigen visie en of er sprake is geweest van handelen in strijd met het verbod op vooringenomenheid van artikel 2:4, eerste lid van de Awb.
5.3.
Hieruit volgt dat bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit kan alleen al daarom niet in stand blijven.
Kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven?
6. Hieronder zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.
6.1.
In haar uitspraak van 25 april 2023 is door de rechtbank geoordeeld dat eiser een bijzonder belang heeft bij de uitwegvergunning, namelijk dat hij zijn garage daadwerkelijk kan gebruiken voor het stallen van zijn auto en dat slechts zeer bijzondere omstandigheden aan de kant van het college de weigering van een uitwegvergunning dragen. Gelet op de eerder genoemde Brummen-rechtspraak moet de rechtbank van de juistheid van dit oordeel uitgaan.
6.2.
De hiervoor bedoelde zeer bijzondere omstandigheden zijn door het college kennelijk ingevuld met het betoog dat de uitweg in strijd zou zijn met de verkeersveiligheid vanwege de beperkte breedte van de straat en de eis dat er een zichtlijn van ten minste vijf meter moet zijn. Eiser heeft daartegenover gesteld dat de straat eenrichtingsverkeer heeft dat bij het uitrijden uit de garage alleen van de linkerzijde kan komen. Naar de linkerkant is vrij zicht bij het uitdraaien en wegrijden. In de straat zijn parkeervakken aangebracht voor langsparkeren. Waarin de situatie van eiser bij het uitrijden verschilt van die van een langs de straatkant geparkeerde wegrijdende auto, is de rechtbank niet zonder meer duidelijk. Het college heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt dat de volgens hem verkeersonveilige situatie niet met maatregelen kan worden ondervangen, bijvoorbeeld door het plaatsen van een verkeersspiegel. Ook is door het college niet inzichtelijk gemaakt dat eventuele overlast als gevolg van de verplaatsing van de lantarenpaal niet kan worden tegengegaan.
6.3.
In wat het college heeft aangevoerd, zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen zeer bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld gelegen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Aan een inhoudelijk oordeel over hetgeen eiser verder heeft aangevoerd, komt de rechtbank daarom niet meer toe. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, zoals door eiser gewenst, namelijk door te bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het te vernietigen bestreden besluit en de vergunning te verlenen. Dat zou alleen mogelijk zijn als er maar één mogelijke beslissing resteert. Die situatie doet zich hier niet voor. De rechtbank is evenmin bevoegd om het college een gedoogplicht op te leggen, zoals door eiser op de zitting is voorgesteld.
7.1.
De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor acht weken. Daarbij kan het college zich niet wederom baseren op de thans voorliggende, aangepaste adviezen. Ook zal eiser in de gelegenheid moeten worden gesteld om op die nieuw uitgebrachte adviezen te reageren, op grond van artikel 7:9 van de Awb.
7.2.
Verder zal het college in het nieuw te nemen besluit op bezwaar gemotiveerd moeten ingaan op wat eiser aanvoert over schending van het gelijkheidsbeginsel. Het gaat dan met name over de Kortenhoefsestraat 30.
7.3.
Tot slot zal het college in de te verrichten belangenafweging de door eiser in dat kader naar voren gebrachte gronden kenbaar moeten meewegen, te weten dat de garage breed genoeg is om de auto van eiser in te parkeren en dat eiser een bijzonder belang heeft bij de uitwegvergunning, namelijk het belang om zijn garage ook daadwerkelijk te kunnen gebruiken voor het stallen van zijn auto.
7.4.
Indien het college de uitwegvergunning wederom zou weigeren, dient het college te motiveren welke zeer bijzondere omstandigheden aan de kant van het college die weigering dragen. Als een eventuele nieuwe weigering een beleidskeuze is, dient het college tevens te motiveren of het handelen overeenkomstig dit beleid voor eiser gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen, als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb.
7.5.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het betaalde griffierecht vergoeden en krijgt hij ook een vergoeding voor de proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1). Het college moet deze vergoeding betalen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 1.814,-;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:998, r.o. 8.2.
3.Handboek Openbare Ruimte.