ECLI:NL:RBDHA:2025:23433

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
24/6991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor kosten bewindvoering en bankkosten op grond van de Participatiewet

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 december 2025, met zaaknummer SGR 24/6991, is de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen. Eiseres, Fidinda CBM B.V., trad op als bewindvoerder voor betrokkene en verzocht om bijstand voor de kosten van bewindvoering en eenmalige bankkosten. De Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD) had de aanvraag eerder afgewezen, omdat betrokkene voldoende draagkracht uit vermogen en inkomen zou hebben om de kosten zelf te dekken. Eiseres was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelde dat de ISD terecht had vastgesteld dat betrokkene in staat was om de kosten zelf te betalen, en dat de afwijzing van de aanvraag dus terecht was. De rechtbank benadrukte dat de Participatiewet een vangnet is voor degenen die niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien, en dat de verantwoordelijkheid voor het voorzien in het bestaan primair bij de betrokkene ligt, ook al staat deze onder bewind. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk kreeg en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontving.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6991

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2025 in de zaak tussen

Fidinda CBM B.V., eiseres, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van
[betrokkene], betrokkene, uit [woonplaats] ,
(gemachtigde: mr. A. Rodríguez-González),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, de ISD
(gemachtigde: mr. P.J.J.P. van der Zalm).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres, in haar hoedanigheid als bewindvoerder van betrokkene, om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van bewindvoering en eenmalige bankkosten. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de aanvraag terecht is afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor betrokkene om bijzondere bijstand op grond van de Pw voor de kosten van bewindvoering en eenmalige bankkosten. De ISD heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de ISD bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De ISD heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van partijen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Betrokkene is sinds 4 maart 2015 onder bewind gesteld. Bij beschikking van 14 februari 2022 van de rechtbank Den Haag heeft de kantonrechter eiseres benoemd tot bewindvoerder. Op 12 december 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering van € 133,10 per maand voor de periode 1 januari 2024 tot en met 31 december 2024 en voor de eenmalige bankkosten van € 10,-.
4. De ISD heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen omdat betrokkene voldoende draagkracht heeft uit vermogen en inkomen om de kosten van bewindvoering en eenmalige bankkosten tenminste drie maanden zelf te voldoen.
5. Bij het bestreden besluit heeft de ISD de motivering van de afwijzing gewijzigd. De ISD heeft, met verwijzing naar het advies van de ambtelijke commissie bezwaarschriften ISD Bollenstreek van 10 juli 2024, zich op het standpunt gesteld dat betrokkenen voldoende draagkracht uit vermogen heeft om de gevraagde kosten zelf te voldoen. Beoordeling van draagkracht uit inkomen is daarom niet meer nodig, aldus de ISD.
6. Eiseres voert aan dat betrokkene onvoldoende draagkracht heeft om de gevraagde kosten zelf te betalen. In dat kader stelt zij dat bij de berekening van de draagkracht van betrokkene ten onrechte het saldo van de spaarrekening is aangemerkt als vermogen en dat ten onrechte is uitgegaan van het saldo van de bankrekeningen op een specifieke datum. Dat is in strijd met de wet, het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Er moet rekening gehouden worden met overige omstandigheden. De vaste lasten worden meestal voldaan na de vijftiende van de maand, zodat het vermogen hoger is bij een vermogensbepaling aan het begin van de maand.
Eiseres voert verder aan dat de toeslagen (huur-, zorg- en energietoeslagen) op grond van artikel 31 van de Pw niet tot de middelen van betrokkene gerekend worden. Daar is ten onrechte geen rekening mee gehouden bij de bepaling van het vermogen.
Eiseres voert tot slot aan dat betrokkene ook onvoldoende draagkracht heeft uit inkomen.

Beoordeling door de rechtbank

Toepassing van artikel 35 Pw
7. Recht op bijzondere bijstand kan alleen bestaan voor zover de betrokkene de kosten waarvoor de bijstand is gevraagd naar het oordeel van de ISD niet kan betalen uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Dit volgt uit artikel 35, eerste lid, van de Pw. Als aan die voorwaarde van ‘onvoldoende draagkracht’ is voldaan is de ISD bevoegd en verplicht de bijzondere bijstand dienovereenkomstig toe te kennen. [1]
7.1.
Bij de vaststelling van die draagkracht heeft de ISD een zekere beoordelingsruimte. Deze houdt in dat de ISD vrij is te bepalen met welk deel van het in aanmerking te nemen inkomen boven bijstandsniveau rekening wordt gehouden en over welke periode de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Bij de vaststelling van de draagkracht kunnen geen middelen worden betrokken die buiten het wettelijk inkomensbegrip als bedoeld in artikel 31 van de Pw vallen. Dit volgt uit vaste rechtspraak. [2]
Invulling van de beoordelingsruimte
7.2.
De ISD heeft de draagkracht vastgesteld op basis van de bepalingen in haar Uitvoeringsregels bijzondere bijstand ISD Bollenstreek 2022 (de uitvoeringsregels). De uitvoeringsregels zijn beleidsregels in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In artikel 7 staat hoe de draagkracht wordt bepaald.
7.3.
Artikel 7 van de uitvoeringsregels luidt als volgt:
“1. Bijzondere bijstand kan slechts worden toegekend voor zover de gevraagde kosten de draagkracht te boven gaan.
2. Draagkracht is dat deel van het eigen inkomen en dat deel van het eigen vermogen dat de belanghebbende moet gebruiken om de kosten te betalen.
3. De draagkracht uit vermogen en inkomen wordt vastgesteld op datum aanvraag dan wel de ingangsdatum van de (periodieke) bijzondere bijstand.
4. De draagkracht uit inkomen wordt per maand vastgesteld.
5. Draagkracht uit vermogen is dat deel van het vermogen dat hoger is dan 150% van het minimuminkomen.
6. Draagkracht uit inkomen is 50% van het inkomen boven 110% van het minimuminkomen.
7. Als er sprake is van draagkracht uit vermogen én draagkracht uit inkomen, wordt eerst de draagkracht uit vermogen ingezet om in de kosten te voorzien.
8. Als er sprake is van draagkracht waarmee belanghebbende minimaal 3 maanden in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd kan voorzien, wordt de aanvraag afgewezen.
9. In geval van toekenning van bijzondere bijstand bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, is de draagkracht uit inkomen 100% van het inkomen boven het minimuminkomen. De draagkracht uit vermogen wordt in dat geval vastgesteld op het gehele vermogen.”
7.4.
Op grond van artikel 19 van de uitvoeringsregels kan het dagelijks bestuur in bijzondere gevallen, in het voordeel van de belanghebbende, afwijken van deze uitvoeringsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt en wetten in formele zin daardoor niet worden doorkruist.
7.5.
De rechtbank stelt voorop dat de ISD bij het bestreden besluit alleen de draagkracht uit vermogen aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd. De ISD heeft de hoogte van de draagkracht van het vermogen vastgesteld op basis van de bepalingen in de uitvoeringsregels. De rechtbank is van oordeel dat deze beleidsregels binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijven.
7.6.
Het bedrag aan draagkracht in vermogen is door de ISD bepaald op € 1.681,92. Dit is berekend door € 3.511,38 (de banksaldi van betrokkene per 1 januari 2024) te verminderen met € 1.829,46 (150% van de toepasselijke bijstandsnorm van € 1.283,83 minus 5% vakantietoeslag). Gelet op de draagkracht van € 1.681,92 heeft de ISD zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene drie maanden de kosten van bewindvoering van € 133,10 per maand en de eenmalige bankkosten van € 10,- zelf kan betalen. Eiseres heeft tegen de berekening van het vermogen als zodanig geen gronden ingebracht.
7.7.
Uit de uitvoeringsregels volgt niet dat de ISD het op de peildatum opgespaarde geldsaldo buiten beschouwing moet laten. De vermogensvrijlating van artikel 34, tweede lid, onder c, van de Pw is voor de bijzondere bijstand niet van toepassing. In de door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank [3] is daar niet anders over geoordeeld.
Uit de uitvoeringsregels volgt ook niet dat doelverstrekkingen, zoals huurtoeslag en zorgtoeslag, buiten beschouwing zouden moeten blijven bij de berekening van het vermogen. Dit geldt ook voor de toegekende energietoeslag 2023 van € 1.200,-, waarvan € 900,- in 2023 is uitbetaald aan betrokkene. Verder geldt dat in artikel 2, aanhef, en onder e, van de uitvoeringsregels vermogen is omschreven als het vermogen volgens artikel 34, eerste lid, sub a en b van de Pw tenzij expliciet anders wordt aangegeven. Voor de stelling dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de uitgezonderde middelen, zoals de energietoeslag, genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder o, van de Pw, is geen rechtsgrond. In artikel 7 van de uitvoeringsregels, dat gaat over de bepaling van de draagkracht, wordt niet verwezen naar ‘middelen’ maar enkel naar het ‘vermogen’. De rechtbank benadrukt dat het hier gaat om vermogen in het kader van een aanvraag om bijzondere bijstand. De uitvoeringsregels zijn daarom bepalend.
7.8.
Voor zover eiseres een beroep heeft gedaan op artikel 19 van de uitvoeringsregels slaagt dit niet. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een bijzonder geval waarin toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Dit betekent tevens dat de ISD in de omstandigheden van betrokkene geen reden heeft hoeven zien om van de beleidsregels af te wijken onder toepassing van artikel 4:84 van de Awb.
7.9.
De rechtbank benadrukt dat de Pw een vangnet is voor wie niet in staat is zelf in de kosten van levensonderhoud te voorzien door een gebrek aan middelen van bestaan. Bijstand op grond van de Pw heeft een aanvullend karakter. Dat betekent dat het uitgangspunt is dat ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat voor bijstand pas plaats is als een betrokkene alle voor hem/haar beschikbare mogelijkheden om daarin te voorzien heeft benut. Dit geldt ook voor betrokkene die voor het beheer van zijn financiën afhankelijk van een derde is, zoals een bewindvoerder. De enkele omstandigheid dat betrokkene onder bewind staat, brengt dan ook niet mee dat de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan voor haar niet geldt.
7.10.
De ISD kon in redelijkheid bij de beoordeling van de draagkracht in vermogen van betrokkene de energietoeslag 2023 en de doelverstrekkingen buiten beschouwing laten.
7.11.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat eiseres de ISD kan vragen een nieuwe draagkrachtberekening te maken voor de draagkrachtperiode vanaf 1 april 2024, indien zij van mening is dat de draagkracht van betrokkene is gewijzigd vanaf die datum. Blijkens de toelichting op artikel 7 van de uitvoeringsregels kan de draagkracht en daarmee de hoogte van de periodieke bijzondere bijstand tussentijds in het voordeel of nadeel van belanghebbende worden aangepast. De ISD heeft dit ter zitting bevestigd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2327.
2.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1556, 26 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3311 en meer recent de uitspraak van 8 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:939.
3.Uitspraak van 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11283.