In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [opposant] en [geopponeerde] over de terugvordering van een aanbetaling van € 20.000. [opposant] was huurder van een winkelruimte en [geopponeerde] had interesse in de overname van de huurovereenkomst. Na onderhandelingen over de huurprijs, die onduidelijk bleken, heeft [geopponeerde] een aanbetaling gedaan, maar er is geen huurovereenkomst tot stand gekomen. [geopponeerde] vorderde de terugbetaling van de aanbetaling, terwijl [opposant] zich verweerde door te stellen dat de overeenkomst niet geldig was vanwege de onduidelijkheid over de huurprijs. De kantonrechter oordeelde dat [opposant] op basis van artikel 6 van de overeenkomst verplicht was de aanbetaling terug te betalen, omdat er geen huurovereenkomst tot stand was gekomen. Het verzet van [opposant] werd grotendeels ongegrond verklaard, en de kantonrechter bekrachtigde het eerdere verstekvonnis, met uitzondering van de veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten, die werd afgewezen. Tevens werd [opposant] veroordeeld in de proceskosten van de verstekprocedure.