ECLI:NL:RBDHA:2025:23492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
11803896 \ RL EXPL 25-13387
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot vergoeding van onderzoeks- en saneringskosten door aanwezigheid van asbest in woning

In deze zaak vorderen Posthuma c.s. van Bekker vergoeding van de onderzoeks- en saneringskosten die zij door de aanwezigheid van asbest in hun woning hebben moeten maken. De vordering is primair gebaseerd op non-conformiteit, subsidiair op een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst, en meer subsidiair op dwaling. De kantonrechter wijst de gevorderde vergoeding van de onderzoeks- en saneringskosten af, omdat Posthuma c.s. op basis van de NVM-vragenlijst, de koopovereenkomst en de ouderdomsclausule niet mochten verwachten dat de woning asbestvrij zou zijn. De vergoeding voor een nieuw sierhek wordt wel toegewezen, omdat dit hek ontbrak tijdens de levering van de woning, terwijl in de lijst van zaken bij de koopovereenkomst stond dat het sierhek zou achterblijven. De procedure begon met een inleidende dagvaarding op 27 maart 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 20 oktober 2025. Het verstekvonnis van 16 april 2025 werd later vernietigd in de verzetprocedure, waarbij de kantonrechter oordeelde dat er geen sprake was van non-conformiteit en dat de aanwezigheid van asbest niet het normale gebruik van de woning belemmerde. De kantonrechter oordeelde dat Posthuma c.s. niet mochten verwachten dat de woning asbestvrij zou zijn, en dat Bekker niet tekortgeschoten was in zijn verplichtingen. De kantonrechter heeft Bekker wel veroordeeld tot betaling van de kosten voor het sierhek, dat niet was geleverd.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
br/c
Zaaknummer: 11803896 \ RL EXPL 25-13387
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1] ( [land] ),
eisende partij in verzet,
oorspronkelijk gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. R.J. Maassen,
tegen

1.[partij B sub 1] ,

te [woonplaats 2] ,
2.
[partij B sub 2],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in verzet,
oorspronkelijk eisende partijen,
hierna samen te noemen: [partij B] c.s.,
gemachtigde: G. Tomasjan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding van 27 maart 2025 met producties 1 tot en met 24,
- het herstelexploot van 1 april 2025,
- het verstekvonnis van de kantonrechter te Den Haag van 16 april 2025 met rolnummer 11640184 RL EXPL 25-6658,
- de verzetdagvaarding van 14 juli 2025 met producties 1 tot en met 4,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 20 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[partij B] c.s. hebben op 7 september 2020 van [partij A] een woning gekocht in [plaats] (hierna: de woning). In de koopovereenkomst tussen partijen staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
artikel 6 Staat van de onroerende zaak/ Gebruik
6.1.
De onroerende zaak zal aan koper in eigendom worden overgedragen in de staat waarin deze zich bij het tot stand komen van deze koopovereenkomst bevindt, derhalve met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, heersende erfdienstbaarheden en kwalitatieve rechten, zichtbare en onzichtbare gebreken en vrij van hypotheken, beslagen en inschrijvingen daarvan. Koper aanvaardt deze staat en daarmee ook de op de onroerende zaak rustende publiekrechtelijke beperkingen voor zover dat geen ‘bijzondere lasten’ zijn.
(…)
6.3.
De onroerende zaak zal bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als: woning met vrijstaande garage. Het is koper bekend dat het sanitair van de badkamer op de tweede verdieping deugdelijk dient te worden aangesloten.
Indien de feitelijke levering eerder plaatsvindt, zal de onroerende zaak op dat moment de eigenschappen bezitten die voor een normaal gebruik nodig zijn. Verkoper staat niet in voor andere eigenschappen dan die voor een normaal gebruik nodig zijn. Gebreken die het normale gebruik belemmeren en die aan koper bekend of kenbaar zijn op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst komen voor rekening en risico van koper.
Voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstelkosten. Bij het vaststellen van de herstelkosten wordt rekening gehouden met de aftrek ‘nieuw voor oud’.
Verkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft.
(…)
6.4.3.
Aan verkoper is niet bekend of/
Aan koper is bekend datin de onroerende zaak asbest is verwerkt.
(…)
Artikel 21 Ouderdomsclausule
Koper verklaart ermee bekend te zijn dat deze woning meer dan 40 jaar oud is, en dat het normale praktijk was dat materialen werden gebruikt welke thans uit het oogpunt van milieuaspecten niet meer (mogen) worden toegepast, w.o. lood- en asbesthoudende materialen en dat de eisen die aan de bouwkwaliteit gesteld mogen worden ‘aanzienlijk’ lager liggen dat bij nieuwe woningen. Tenzij de verkoper de kwaliteit gegarandeerd heeft, staat verkoper niet in voor de funderingen, de vloeren, de leidingen voor elektriciteit, water en gas, de riolering en de afwezigheid van doorslaand of optrekkend vocht en ongedierte/schimmels (houtworm, boktor, zwam, etc). Verkoper staat er ook niet voor in dat de bouw van de woning of een verbouwing destijds is geschied met inachtneming van de toen geldende wetgeving. Bouwkundige en juridische (kwaliteits)gebreken worden geacht niet belemmerd te werken op het in artikel 6.3 omschreven (woon)gebruik.
(…)”
2.2.
[partij B] c.s. hebben voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst een bouwkundige keuring laten doen. In het rapport van de bouwkundige keuring van Premium Keur staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…)
Het is binnen de inspectie niet mogelijk een asbestonderzoek uit te voeren. Er wordt niet specifiek naar mogelijk asbesthoudend materiaal in/aan een object. Indien de inspecteur tijdens de inspectie een asbestverdacht materiaal tegenkomt, zal hiervan melding worden gemaakt in het inspectierapport. Er kunnen geen rechten ontleend worden indien er asbesthoudende materialen over het hoofd gezien worden en/of niet in het rapport opgenomen zijn.
(…)”
2.3.
[partij A] heeft bij het sluiten van de koopovereenkomst een NVM-vragenlijst ingevuld. Op de vraag of er asbesthoudende materialen in de woning aanwezig zijn heeft [partij A] ingevuld dat dit hem niet bekend is. Op de vraag of in de woning zeil achterblijft dat is aangeschaft tussen 1955 en 1982 heeft [partij A] aangekruist dat dit niet het geval is.
2.4.
[partij B] c.s. hebben in de woning een asbestinventarisatie laten uitvoeren. In het analyserapport van Kiwa Inspection & Testing van 4 september 2020 staat dat in de onderzochte monsters geen asbest is aangetroffen.
2.5.
[partij B] c.s. hebben per e-mail van 12 januari 2021 aan [partij A] gemeld dat een sierhek ontbreekt. [partij A] heeft op 14 januari 2021 op deze mail van [partij B] c.s. gereageerd en schrijft dat hij het met [partij B] c.s. eens is dat de vermissing van het hek een zaak is die door hem moet worden bekostigd en opgelost.
2.6.
[partij B] c.s. hebben de woning op 15 januari 2021 geleverd gekregen, waarna zij werkzaamheden hebben laten uitvoeren aan de woning. [partij B] c.s. hebben tijdens deze werkzaamheden wederom een asbestinventarisatie laten verrichten. In het rapport van de asbestinventarisatie van AllFibers B.V. van 24 februari 2021 staat dat in de woning asbest aanwezig is, namelijk asbesthoudend zeil en lijm op de eerste en tweede etage, asbesthoudende behanglijm en een asbesthoudende standleiding door de hele woning.
2.7.
[partij A] heeft over het ontbrekende sierhek op 25 januari 2021 aan [partij B] c.s. geschreven dat hij inmiddels heeft vernomen dat het sierhek in slechte staat was en dat iemand het hek wellicht voor oud vuil heeft aangezien en heeft meegenomen. [partij A] schrijft verder dat het hem daarom niet billijk lijkt dat hij de volledige kosten voor een nieuw hek op zich moet nemen en stelt voor om de kosten voor een nieuw hek te delen.
2.8.
[partij B] c.s. hebben op 19 februari 2021 aan [partij A] geschreven dat op verschillende plekken in het huis asbest is aangetroffen en dat zij hierover graag in contact treden met [partij A] . [partij A] heeft op 23 februari 2021 aan [partij B] c.s. geschreven dat hij van mening is dat hij aan zijn mededelingsplicht heeft voldaan, dat [partij B] c.s. voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om een (nader) onderzoek in te stellen en dat hij het daarom hierbij wil laten.
2.9.
[partij B] c.s. hebben op 4 maart 2021 aan [partij A] geschreven dat zij niet langer nakoming van de koopovereenkomst wensen, maar hun vordering tot nakoming omzetten tot een vordering tot vervangende schadevergoeding.
2.10.
[partij B] c.s. hebben op 6 april 2021 een ingebrekestelling aan [partij A] gestuurd waarin zij [partij A] vragen om binnen veertien dagen zorg te dragen voor een nieuw sierhek en aansprakelijkheid voor de aanwezigheid van asbest te erkennen.
2.11.
[partij A] heeft op 20 april 2022 aan [partij B] c.s. bericht dat hij geen uitvoering zal geven aan hun verzoeken.
2.12.
[partij B] c.s. hebben op 11 januari 2023 aan [partij A] geschreven dat zij hun vordering tot nakoming en/of vervangende schadevergoeding stuiten.

3.Het geschil

3.1.
[partij B] c.s. hebben in de inleidende dagvaarding (samengevat) gevorderd dat de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. de tussen partijen bestaande koopovereenkomst ontbindt en [partij A] veroordeelt tot terugbetaling aan [partij B] c.s. van een bedrag evenredig aan de onderzoeks- en saneringskosten van € 10.659,72,
subsidiair
2. [partij A] veroordeelt tot betaling aan [partij B] c.s. van de schade die zij hebben geleden, zijnde een bedrag van € 10.659,72, bestaande uit de onderzoeks- en saneringskosten,
meer subsidiair
3. de gevolgen van de tussen partijen bestaande koopovereenkomst wijzigt, in die zin dat het nadeel dat [partij B] c.s. hebben als gevolg van dwaling, zijnde de onderzoeks- en saneringskosten van een bedrag van € 10.659,72, door [partij A] wordt opgeheven door dit bedrag aan [partij B] c.s. te betalen,
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair
4. [partij A] veroordeelt tot plaatsing van het geoffreerde sierhek, dan wel tot betaling aan [partij B] c.s. van een bedrag gelijk aan het geoffreerde sierhek,
5. [partij A] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente vanaf 15 maart 2022 tot de dag van volledige betaling,
6. [partij A] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [partij B] c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten van € 980,69,
7. [partij A] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure en de wettelijke rente daarover.
3.2.
[partij B] c.s. hebben aan hun primaire vordering ten grondslag gelegd dat de woning door de aanwezigheid van asbest niet de eigenschappen bezit die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Omdat [partij A] willens en wetens onjuiste mededelingen heeft gedaan over de aanwezigheid van asbest in de woning, is hij volgens [partij B] c.s. daarom gehouden om de onderzoeks- en saneringskosten aan hen te vergoeden. Aan hun subsidiaire vordering hebben [partij B] c.s. ten grondslag gelegd dat [partij A] de gebreken niet heeft hersteld en de schade niet heeft vergoed, waardoor hij in verzuim is. [partij B] c.s. hebben de verbintenis daarna omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. [partij B] c.s. hebben aan hun meer subsidiaire vordering ten grondslag gelegd dat zij door de misleidende mededelingen van [partij A] hebben gedwaald over de aanwezigheid van asbest in de woning. Omdat het sierhek volgens de inventarislijst bij de koopovereenkomst achter zou blijven maar tijdens de levering niet aanwezig was, vorderen [partij B] c.s. dat [partij A] een nieuw hek moet laten plaatsen of de geoffreerde kosten voor een nieuw hek moet betalen.
3.3.
[partij A] is in die procedure niet verschenen en heeft dus ook geen verweer gevoerd. Bij verstekvonnis van 16 april 2025 is de tussen partijen gesloten koopovereenkomst ontbonden en is [partij A] veroordeeld tot betaling aan [partij B] c.s. van een bedrag van € 12.475,72, vermeerderd met rente en kosten.
3.4.
[partij A] is vervolgens van het verstekvonnis in verzet gekomen, waardoor verder wordt geprocedeerd zoals in een gewone bodemprocedure op tegenspraak. [partij A] vordert in deze verzetprocedure (samengevat) dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat hij wordt ontheven van de in het verstekvonnis jegens hem uitgesproken veroordelingen, dat [partij B] c.s. niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen, dan wel dat hun vorderingen worden afgewezen en dat [partij B] c.s. hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het verzet en in de kosten van deze procedure.
3.5.
[partij A] legt hieraan ten grondslag dat hij niet bekend was met de aanwezigheid van asbest in de woning ten tijde van de verkoop en dat hij dit naar waarheid heeft verklaard in de NVM-vragenlijst. Volgens [partij A] belemmert de aanwezigheid van asbest het normale gebruik van de woning niet; de aanwezigheid van asbest is pas tijdens werkzaamheden aan het licht gekomen. Daarnaast vloeit uit de ouderdomsclausule en de vragenlijst een onderzoeksplicht voor [partij B] c.s. voort. Voor wat betreft het sierhek heeft [partij A] alleen een toezegging gedaan omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat het verdwenen hek in goede staat was. Als [partij B] c.s. hem juist hadden geïnformeerd over de staat van het hek, had [partij A] deze toezegging niet gedaan.

4.De beoordeling

Het verzet is tijdig gedaan
4.1.
Gesteld noch gebleken is dat [partij A] niet tijdig het rechtsmiddel van verzet heeft aangewend. [partij A] is dus ontvankelijk in het verzet, waardoor de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
Er is geen sprake van non-conformiteit
4.2.
De door [partij B] c.s. gevorderde ontbinding van de koopovereenkomst en vergoeding van de onderzoeks- en saneringskosten komen niet voor toewijzing in aanmerking, omdat geen sprake is van non-conformiteit en [partij A] dus niet is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst. De kantonrechter legt deze beslissing hierna uit.
Wat is het toetsingskader?
4.3.
Artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de afgeleverde zaak aan de overeenkomst moet beantwoorden. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat een zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.
4.4.
Artikel 6.3. van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst bepaalt dat de woning bij de eigendomsoverdracht de feitelijke eigenschappen zal bezitten die nodig zijn voor een normaal gebruik als woonruimte. Bij de uitleg van een koopovereenkomst is beslissend de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In het geval dat partijen gebruik maken van een standaardakte met daarin het beding dat de verkochte zaak de eigenschappen zal bezitten die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn, is het uitgangspunt dat normaal gebruik betrekking heeft op wat daaronder naar gangbaar spraakgebruik wordt verstaan.
Wat mochten [partij B] c.s. verwachten van de woning?
4.5.
Bij de vraag of de woning beantwoordt aan de overeenkomst moet allereerst worden gekeken naar wat [partij B] c.s. redelijkerwijs van de woning mochten verwachten. Daarvoor is van belang dat de koopovereenkomst een ouderdomsclausule bevat, waarin staat dat de kopers ermee bekend zijn dat de woning meer dan veertig jaar oud is en dat het destijds de normale praktijk was dat er materialen (waaronder lood- en asbesthoudende materialen) werden gebruikt die nu niet meer mogen worden toegepast. Daarnaast staat erin dat de verkoper niet in staat voor onder andere de funderingen, de vloeren en de leidingen (tenzij hij de kwaliteit heeft gegarandeerd). Ook staat er in dat bouwkundige en juridische gebreken worden geacht niet belemmerend te werken op het in artikel 6.3. van de koopovereenkomst omschreven woongebruik. Verder is van belang dat [partij A] in de NVM-vragenlijst heeft ingevuld dat hij niet bekend is met de aanwezigheid van asbesthoudende materialen in de woning. Dit maakt samen dat [partij B] c.s. niet zonder meer mochten verwachten dat de woning asbestvrij zou worden geleverd.
Heeft [partij A] zijn mededelingsplicht geschonden?
4.6.
Voor de beantwoording van de vraag of de woning beantwoordt aan de overeenkomst is verder van belang of [partij A] zijn mededelingsplicht heeft geschonden. Anders dan [partij B] c.s. betogen, kan niet worden geoordeeld dat [partij A] had moeten weten dat ten tijde van de eigendomsoverdracht asbest in de woning aanwezig was omdat hij de woning lange tijd zelf in gebruik heeft gehad en rond 2012 werkzaamheden aan het zeil heeft laten verrichten. [partij B] c.s. hebben gesteld dat onder meer sprake is van asbesthoudend zeil op de eerste en tweede etage, dat dit al aanwezig was bij de aankoop van de woning door [partij A] en zijn (ex-)partner in 1997 en dat op de eerste etage rond 2012 laminaat is gelegd zonder dat hierbij het zeil en de lijm is verwijderd, maar dat [partij A] desondanks op de NVM-vragenlijst heeft aangekruist dat in de woning geen zeil is achtergebleven dat tussen 1955 en 1982 is aangeschaft. Hoewel het klopt dat [partij A] ten onrechte op de vragenlijst heeft aangekruist dat in de woning geen zeil is achtergebleven dat tussen 1955 en 1982 is aangeschaft, is hiermee niet komen vast te staan dat [partij A] ten tijde van de verkoop kennis heeft gehad van de aanwezigheid van asbest in de woning. [partij A] en zijn toenmalige partner hebben de woning in 1997 gekocht en hebben daar tot hun scheiding samen gewoond. Vanaf 27 februari 2004 woonde de ex-partner van [partij A] alleen in de woning. In 2012 is op de eerste etage laminaat over het asbesthoudende zeil gelegd. Niet gebleken is dat [partij A] , die toen al in [land] woonde, daarvan op de hoogte was. Dit volgt ook niet uit de whatsappberichten die de ex-partner van [partij A] aan [partij B] c.s. heeft gestuurd. Zo stuurt de ex-partner van [partij A] slechts dat zij denkt dat het laminaat op de eerste etage er inmiddels negen jaar ligt en beantwoordt zij de vraag van [partij B] c.s. of het laminaat op de tweede etage door de vorige bewoners of daar haar is neergelegd met “
alles door ons neergelegd”. Op de tweede etage is het zeil wel verwijderd en vervangen door laminaat, maar daarbij is het laminaat over restanten van de asbesthoudende lijm gelegd. De stelling van [partij B] c.s. dat verondersteld mag worden dat het zeil is vervangen in de periode dat [partij A] nog in de woning woonde, betreft een aanname die niet is komen vast te staan en door [partij A] wordt betwist. Zelfs als het zo zou zijn dat [partij A] nog woonachtig was in de woning op het moment dat het laminaat werd gelegd, kan daaruit nog niet worden afgeleid dat [partij A] wist dat er nog een deel van de asbesthoudende lijm was achtergebleven. Dat zou anders zijn als [partij A] zelf de lijmresten had laten zitten. Dat blijkt echter nergens uit. Dat [partij A] bekend was met het feit dat de standleiding waaraan in 2019 werkzaamheden zijn verricht toen niet volledig is vervangen zoals zijn voormalige echtgenote had verklaard maar slechts gedeeltelijk, is evenmin gebleken. Voor zover de ex-echtgenote daarmee bekend was hetgeen overigens niet is komen vast te staan, kan deze kennis niet aan [partij A] worden toegerekend. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom niet komen vast te staan dat [partij A] willens en wetens onjuiste mededelingen heeft gedaan over de aanwezigheid van asbest in de woning.
Staat de aanwezigheid van asbest in de weg aan het normaal gebruik van de woning?
4.7.
Voor het antwoord op de vraag of de woning beantwoordt aan de overeenkomst is ook van belang of de aanwezigheid van asbest aan het normale gebruik van de woning in de weg staat. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, aangezien het te verwachten was dat het al oude laminaat op een gegeven moment vervangen zou moeten worden. De werkzaamheden die [partij B] c.s. aan de vloer hebben verricht zijn daarom niet slechts aanpassingen op basis van persoonlijke wensen, maar zien ook op de algemene bewoonbaarheid van de woning. Omdat [partij B] c.s. bij deze werkzaamheden asbest hebben aangetroffen en het een feit van algemene bekendheid is dat asbest schadelijk is voor de gezondheid, staat de aanwezigheid van asbest aan het normale gebruik van de woning in de weg. Dit maakt echter niet dat de woning niet beantwoordt aan de koopovereenkomst. Zoals reeds in rechtsoverweging 4.5. is overwogen, mochten [partij B] c.s. op grond van de vragenlijst, de koopovereenkomst en de in de koopovereenkomst opgenomen ouderdomsclausule namelijk niet verwachten dat de woning asbestvrij zou zijn.
[partij A] hoeft geen schadevergoeding aan [partij B] c.s. te betalen
4.8.
Omdat uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [partij A] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, bestaat geen grond voor de gevorderde schadevergoeding. Deze vordering van [partij B] c.s. komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
Er is geen sprake van dwaling
4.9.
De door [partij B] c.s. gevorderde opheffing van het nadeel dat zij door dwaling hebben ondervonden, komt ook niet voor toewijzing in aanmerking. Voor een gegrond beroep op dwaling dient sprake te zijn van een verkeerde voorstelling van zaken als gevolg van een inlichting van de wederpartij, schending van een mededelingsplicht of wederzijdse dwaling. Van een verkeerde voorstelling van zaken als gevolg van een inlichting van [partij A] is geen sprake. In rechtsoverweging 4.5. is immers reeds geoordeeld dat [partij B] c.s. op grond van de vragenlijst, de koopovereenkomst en in de koopovereenkomst opgenomen ouderdomsclausule niet zonder meer mochten verwachten dat de woning bij de levering asbestvrij zou zijn. Daarnaast is in rechtsoverweging 4.6. reeds geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [partij A] willens en wetens onjuiste mededelingen heeft gedaan over de aanwezigheid van asbest in de woning. Wederzijdse dwaling kan ook niet worden aangenomen. [partij B] c.s. hebben onvoldoende onderbouwd dat ook [partij A] is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken, namelijk dat ook hij meende dat in de woning geen asbest aanwezig was. Uit het verweer van [partij A] volgt dat hij niet wist of er asbest aanwezig was in de woning.
[partij A] hoeft geen wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten te betalen
4.10.
Omdat [partij A] het bedrag aan onderzoeks- en saneringskosten op geen van de gestelde rechtsgronden aan [partij B] c.s. hoeft te betalen, is hij ook niet gehouden om de wettelijke rente over dit bedrag te voldoen en buitengerechtelijke incassokosten die gemaakt zijn om deze vordering betaald te krijgen aan [partij B] c.s. te vergoeden.
[partij A] moet de kosten voor het sierhek vergoeden
4.11.
De kantonrechter zal [partij A] veroordelen om de kosten voor een nieuw sierhek aan [partij B] c.s. te vergoeden. [partij B] c.s. hebben namelijk toegelicht dat er drie sierhekken in de tuin stonden toen zij de woning kwamen bezichtigen, maar dat een van deze hekken ontbrak bij de levering van de woning. [partij A] betwist niet dat een sierhek ontbreekt, maar voert aan dat er geen rechtsgrond bestaat voor de vordering van [partij B] c.s. De kantonrechter passeert dit verweer van [partij A] , omdat in de lijst van zaken bij de koopovereenkomst staat dat het sierhek zou achterblijven. [partij A] heeft dus niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst door niet alle sierhekken aan [partij B] c.s. te leveren. Daarbij komt dat [partij A] op 14 januari 2021 heeft toegezegd dat hij de kosten voor een nieuw sierhek voor zijn rekening zou nemen. Hoewel [partij A] deze toezegging later heeft ingetrokken vanwege de staat waarin het hek zou hebben verkeerd, heeft hij niet onderbouwd dat het hek niet meer in goede staat verkeerde en geen waarde meer vertegenwoordigde. Omdat het hek is verdwenen, kan de waarde daarvan niet meer worden vastgesteld. De kantonrechter zal voor de kosten van het plaatsen van een nieuw sierhek daarom aansluiten bij het bedrag dat Van Zet Staalconstructies in haar offerte van 7 januari 2021 heeft genoemd. Dat is € 1.815,00.
Conclusie: het verstekvonnis wordt vernietigd
4.12.
De conclusie van dit alles is dat het verstekvonnis niet in stand kan blijven. De kantonrechter zal het verzet van [partij A] daarom gegrond verklaren, het verstekvonnis vernietigen en opnieuw rechtdoende [partij A] veroordelen tot de plaatsing van het geoffreerde sierhek dan wel tot betaling van het geoffreerde bedrag van € 1.815,00.
[partij B] c.s. moeten de proceskosten betalen
4.13.
[partij B] c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding, die voor rekening van [partij A] komen. De proceskosten van [partij A] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
510,00
4.14.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzet van [partij A] gegrond,
5.2.
vernietigt het door deze rechtbank op 16 april 2025 gewezen verstekvonnis met rolnummer 11640184 RL EXPL 25-6658,
en opnieuw rechtdoende
5.3.
veroordeelt [partij A] tot betaling aan [partij B] c.s. van € 1.815,00,
5.4.
veroordeelt [partij B] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.3. en 5.4. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.