ECLI:NL:RBDHA:2025:23523
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en schadevergoeding
Bij besluit van 31 augustus 2025 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde op 26 november 2025 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Verweerder diende een kennisgeving voortduring bewaring in, die gelijkgesteld werd met een door eiser ingesteld beroep.
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring op 29 november 2025 was opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van 26 september 2025 waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. De rechtbank oordeelde dat de termijn van dertien weken, zoals genoemd in de Opvangrichtlijn en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, niet was overschreden.
De rechtbank concludeerde dat er geen grond was om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het tweede beroep, voortvloeiend uit de kennisgeving van verweerder, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds was beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is in het openbaar gedaan en staat niet open voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.