Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
NL25.58167
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 106 VwRichtlijn 2013/33/EUECLI:NL:RVS:2025:2925ECLI:EU:C:2022:858
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

Bij besluit van 31 augustus 2025 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde op 26 november 2025 beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Verweerder diende een kennisgeving voortduring bewaring in, die gelijkgesteld werd met een door eiser ingesteld beroep.

De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring op 29 november 2025 was opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de maatregel onrechtmatig was geweest. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van 26 september 2025 waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. De rechtbank oordeelde dat de termijn van dertien weken, zoals genoemd in de Opvangrichtlijn en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak, niet was overschreden.

De rechtbank concludeerde dat er geen grond was om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het tweede beroep, voortvloeiend uit de kennisgeving van verweerder, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroep reeds was beoordeeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is in het openbaar gedaan en staat niet open voor rechtsmiddel.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.58167 (beroep) en NL25.59086 (kennisgeving)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

1. Bij besluit van 31 augustus 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft op 26 november 2025 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld, geregistreerd met zaaknummer NL25.58167. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 28 november 2025 voor eiser een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.59086.
1.3.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
Verweerder heeft op 29 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

2. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1997.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
4. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 26 september 2025 (in de zaak NL25.43950) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
5. Eiser voert aan dat hij meer dan dertien weken in vreemdelingenbewaring heeft gezeten en dat dit in strijd is met de Opvangrichtlijn. [1] Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 1 juli 2025. [2]
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Verweerder heeft op zondag 31 augustus 2025, in week 35, de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op zaterdag 29 november 2025, in week 48, heeft verweerder de maatregel opgeheven. De rechtbank stelt vast dat verweerder de termijn van dertien weken uit de hiervoor door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling niet heeft overschreden. Het betoog van eiser slaagt niet.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [3] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Kennisgeving
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de kennisgeving onnodig heeft gedaan, omdat eiser zelf al op 26 november 2025 beroep tegen het voortduren van de maatregel heeft ingesteld. Omdat het beroep tegen het voortduren van de maatregel al op grond van het beroepschrift in de zaak met nummer NL25.58167 is beoordeeld, bestaat voor partijen geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep dat is ontstaan als gevolg van de door verweerder ingediende kennisgeving. De rechtbank zal het beroep in de zaak met nummer NL25.59086 daarom niet-ontvankelijk verklaren.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep NL25.58167 ongegrond;
- verklaart het beroep NL25.59086 niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2013/33.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2925.
3.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.