ECLI:NL:RBDHA:2025:23524
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet
Bij besluit van 21 november 2025 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel van bewaring werd op 2 december 2025 opgeheven. De zaak is schriftelijk behandeld en het onderzoek werd op 8 december 2025 gesloten.
Eiser voerde aan dat verweerder niet naar voedselallergieën had gevraagd, wat volgens hem essentieel was om ernstige allergische reacties te voorkomen. Tevens stelde hij dat de bewaringsaccommodatie niet langer als gespecialiseerde inrichting kan worden aangemerkt, wat tot opheffing van de maatregel zou moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om medische omstandigheden te melden en dat er geen wettelijke verplichting bestaat om specifiek naar voedselallergieën te vragen. Ook is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk last had van zijn allergie.
De rechtbank concludeerde verder dat het bewaringsaccommodatie nog steeds als gespecialiseerde inrichting moet worden beschouwd, conform eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gezien deze omstandigheden is de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig en wordt het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.