Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23524

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
NL25.57614
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 10 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Bij besluit van 21 november 2025 is aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel van bewaring werd op 2 december 2025 opgeheven. De zaak is schriftelijk behandeld en het onderzoek werd op 8 december 2025 gesloten.

Eiser voerde aan dat verweerder niet naar voedselallergieën had gevraagd, wat volgens hem essentieel was om ernstige allergische reacties te voorkomen. Tevens stelde hij dat de bewaringsaccommodatie niet langer als gespecialiseerde inrichting kan worden aangemerkt, wat tot opheffing van de maatregel zou moeten leiden. De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om medische omstandigheden te melden en dat er geen wettelijke verplichting bestaat om specifiek naar voedselallergieën te vragen. Ook is niet gebleken dat eiser daadwerkelijk last had van zijn allergie.

De rechtbank concludeerde verder dat het bewaringsaccommodatie nog steeds als gespecialiseerde inrichting moet worden beschouwd, conform eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Gezien deze omstandigheden is de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig en wordt het beroep ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57614

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. van Midden).

Procesverloop

1. Bij besluit van 21 november 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 2 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 2 december 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 4 december 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 8 december 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

2. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
3. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
4. Eiser voert aan dat verweerder moet vragen naar allergieën voor gekruid eten voordat hij de vrijheidsontnemende maatregel oplegt. Dit is van belang om ernstige allergische reacties te kunnen voorkomen. Door hier niet naar te vragen, heeft verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden bij de besluitvorming betrokken. Daarnaast verblijft eiser in het [bewaringsaccommodatie] . Onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024 [1] wordt aangevoerd dat ten aanzien van het [bewaringsaccommodatie] niet langer gesproken kan worden van een bewaringsaccommodatie in de zin van artikel 10 van Pro de Opvangrichtlijn, hetgeen tot opheffing van de maatregel moet leiden.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. Uit het proces-verbaal van bevindingen bij aanvraag asiel blijkt dat eiser is gevraagd of er feiten en omstandigheden zijn die maken dat oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel niet mogelijk is. Vervolgens is eiser gevraagd of er bijzondere medische omstandigheden zijn waarmee rekening moet worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om eventuele voedselallergieën naar voren te brengen. Bovendien is er geen rechtsregel die verweerder ertoe verplicht uitdrukkelijk naar specifieke (medische) omstandigheden - zoals voedselallergieën - te vragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser tot op heden niet stelt dat hij een last heeft van zijn voedselallergie, maar ook in dat geval was verweerder niet gehouden om een lichter middel op te leggen. Niet is gebleken dat eiser niet terecht zou kunnen bij de medische dienst als dat nodig is.
7. Verder ziet de rechtbank met verweerder geen grond voor het oordeel dat het [bewaringsaccommodatie] niet als een gespecialiseerde inrichting is aan te merken. In de uitspraak van 26 februari 2025 [2] heeft de Afdeling geoordeeld dat het [bewaringsaccommodatie] nog altijd als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is aan te merken. Hiermee heeft Afdeling haar eerdere uitspraak van 29 januari 2025 [3] bevestigd. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten of de zaak, in afwachting van de uitleg van het Hof, aan te houden.
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [4] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:20829.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258.
4.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.