Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de pleitnota van [eiser],
- de pleitnota van [gedaagde].
Rechtbank Den Haag
In deze zaak, die zich afspeelt in de Rechtbank Den Haag, heeft eiser een kort geding aangespannen tegen gedaagde met betrekking tot een executiegeschil. De kern van het geschil betreft de vraag of de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd in een eerder vonnis van 29 augustus 2017 nog van kracht zijn, nu eiser geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld binnen de gestelde termijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat de voorlopige voorzieningen hun kracht hebben verloren, maar dat de proceskostenveroordeling uit het vonnis van 29 augustus 2017 nog steeds van kracht is. Eiser vordert onder andere een verbod op de executie van dit vonnis, maar de kantonrechter wijst deze vorderingen af. De rechter concludeert dat gedaagde recht heeft op de executie van de proceskostenveroordeling, aangezien deze niet is komen te vervallen. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van de procedure, die zijn vastgesteld op € 6.000,00. De uitspraak is gedaan op 11 december 2025.