ECLI:NL:RBDHA:2025:23618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
NL25.13756 en NL25.13757
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b lid 1 onder g Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag vanwege onvoldoende motivering risico vervolging LHBTI in Wit-Rusland

Eiser, een Wit-Russische nationaliteit dragende man, diende zijn vijfde asielaanvraag in Nederland in, die door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing en concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser geen risico op vervolging of ernstige schade zou lopen bij terugkeer naar Wit-Rusland.

De rechtbank nam het asielrelaas van eiser serieus, waarin hij stelde dat de situatie voor LHBTI’ers in Wit-Rusland is verslechterd, mede door een wetswijziging die bezit van LHBTI-gerelateerde afbeeldingen strafbaar stelt. Daarnaast is eiser psychisch kwetsbaar en heeft hij langdurig buiten Wit-Rusland verbleven, wat hem vatbaar maakt voor extra ondervraging.

Verweerder had erkend dat de situatie voor LHBTI’ers zorgelijk is, maar vond dat er geen nieuwe relevante elementen waren en dat eiser geen politieke activiteiten verricht die vervolging zouden rechtvaardigen. De rechtbank volgde dit standpunt slechts deels en oordeelde dat de combinatie van homoseksualiteit, kwetsbaarheid en veranderde omstandigheden voldoende risico inhoudt.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering van het risico op vervolging en draagt op tot een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.13756 (beroep) en NL25.13757 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.E. Mahlen).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser vanwege zijn homoseksualiteit in combinatie met zijn kwetsbaarheid en (langdurig) verblijf buiten Wit-Rusland niet te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Wit-Rusland
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de Wit-Russische nationaliteit en is geboren op [datum] 1973. Hij heeft op 19 december 2022 een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, E. Batalova als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Asielrelaas
3. Eiser is sinds 2003 in Nederland. Dit is zijn vijfde asielaanvraag. In de voorlaatste procedure heeft verweerder in het besluit van 17 december 2020 de homoseksualiteit wel geloofwaardig geacht, maar de daaruit voortvloeiende problemen niet. Bij uitspraak van 6 mei 2021 heeft de rechtbank verweerder gevolgd en daarbij ook geoordeeld dat, hoewel de situatie voor LHBTI’ers zorgelijk is, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie voor LHBTI’ers in Wit-Rusland in zijn algemeenheid is verslechterd ten opzichte van de situatie waarover de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 17 oktober 2018 uitspraak heeft gedaan [1] . Eiser heeft aan zijn vijfde asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer vreest voor vervolging of ernstige schade omdat de situatie voor LHBTI'ers in Wit-Rusland sinds zijn vorige aanvraag is verslechterd. Voorts omdat hij een politieke mening heeft over de Russisch-Oekraïense oorlog en de betrokkenheid van Wit-Rusland. Daardoor komt hij negatief in beeld bij de autoriteiten. Ook wijst hij in zijn zienswijze op zijn psychische kwetsbaarheid.
Voornemen en bestreden besluit
4.1.
Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 31, eerste lid Vw en artikel 30b, eerste lid, onder g, Vw afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft de volgende asielmotieven opgenomen in zijn beoordeling:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Seksuele gerichtheid;
Politieke overtuiging.
4.2.
Verweerder acht alle elementen geloofwaardig. Verweerder stelt dat eiser wat betreft zijn seksuele gerichtheid geen relevante nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd. Hoewel in de door eiser nieuwe overgelegde documenten een zorgelijke situatie voor LHBTI’ers wordt beschreven, heeft eiser niet aannemelijk weten te maken dat de situatie in Wit-Rusland is veranderd ten opzichte van voorgaande jaren en dat eiser als LHBTI’er enkel door zijn aanwezigheid in Wit-Rusland gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Weliswaar valt er volgens verweerder uit op te maken dat er discriminatie, intimidatie, bedreiging en geweld bestaat tegen LHBTI’ers, maar dit is ook meegewogen in het besluit op de voorgaande aanvraag.
4.3.
Verweerder stelt daarnaast dat eiser een algemene en oppervlakkige politieke overtuiging heeft en geen politieke activiteiten verricht. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij in Wit-Rusland activiteiten zal verrichten, dan wel zijn politieke overtuiging zal uiten waardoor hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zal komen te staan. Het zal volgens verweerder niet zo zijn dat eiser enkel voor het hebben van een mening vervolgd zal worden, nu niet is gebleken dat hij zijn politieke overtuiging actief naar buiten brengt. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer vervolgd zal worden vanwege zijn politieke overtuiging.
Heeft eiser te vrezen voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Wit-Rusland vanwege zijn politieke mening?
5. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat eisers politieke overtuiging niet zwaarwegend genoeg is. Weliswaar hoeft geen sprake te zijn van een fundamentele politieke overtuiging, maar bij de beoordeling van de zwaarwegendheid mag betrokken worden welke door de gestelde politieke overtuiging gemotiveerde activiteiten de vreemdeling zou willen verrichten of anderszins zijn opvatting of mening zou willen uiten en wat de gevolgen daarvan zouden zijn [2] . Eiser is geen lid van een politieke partij, neemt niet deel aan protesten en demonstraties en deelt geen berichten op sociale media. Bovendien heeft hij in zijn correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag gesteld dat hij een bange kwetsbare man is, die niet graag op de voorgrond treedt en zijn mening uit. Eiser heeft ook in beroep benadrukt, dat zijn politieke overtuiging (slechts) een subsidiair motief is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij louter vanwege zijn politieke mening gevaar zal lopen bij terugkeer.
Heeft eiser te vrezen voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Wit-Rusland vanwege zijn homoseksualiteit dan wel vanwege de samenhang van zijn homoseksualiteit met zijn politieke mening en zijn kwetsbare gezondheid?
6. Eiser wijst in zijn correcties en aanvullingen op het gehoor opvolgende aanvraag ter onderbouwing van de verslechterde situatie voor LHBTI’ers naar het Country Report Belarus USdos 2023, een Persbericht van Human Rights Watch (HRW) “Belarus calls LGBT lives “pornography” van 12 april 2024 en een rapport van ILGA over 2023. Eiser wijst in beroep naar het World Report 2024 van HRW en een “Report of the Group of Independent Experts” van 7 februari 2025 en naar een recente uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 22 april 2025 [3] .
6.1.
De rechtbank kan verweerder volgen, voor zover die stelt dat de situatie voor LHBTI’ers al zorgelijk was en in zoverre niet is veranderd. De rechtbank is echter van oordeel, dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de situatie voor eiser niet dusdanig is verslechterd, dat hij bij terugkeer wel gevaar loopt.
De rechtbank baseert dit op het volgende.
6.1.1
Uit het persbericht van 12 april 2024 en het “Report of the Group of Independent Experts” blijkt dat op 12 april 2024 een wetswijziging is aangenomen, waarbij onder de definitie van pornografie ook worden gebracht afbeeldingen van LHBTI’ers, waarmee bezit hiervan dus strafbaar wordt. Het gaat hiermee behoren tot de categorie waartoe ook pedofilie, bestialiteit en necrofilie behoren. Deze initiatieven zijn vergezeld van toegenomen toezicht, intimidatie en willekeurige arrestaties en detentie van LHBTI mensen.
De rechtbank acht hierbij ook van belang dat in de uitspraak van de Afdeling uit 2018 mede bepalend was voor het oordeel van de Afdeling dat de situatie voor LHBTI’ers, kort gezegd, niet ernstig genoeg was, dat in Wit-Rusland toen, anders dan in Rusland, het propageren van niet traditionele relaties onder minderjarigen niet strafbaar was. Dat is nu dus anders. Verweerders verwijzing ter zitting naar de Rainbowmap van 2025 van ILGA, waaruit volgens verweerder blijkt dat al 10 jaar lang sprake is van dezelfde situatie voor LHBTI’ers in Wit-Rusland, is naar het oordeel van de rechtbank minder van belang. Daaruit blijkt slechts dat er geen verandering is gekomen in de positie van Wit-Rusland met betrekking tot de behandeling van LHBTI’ers in de ranglijst, namelijk nog steeds op dezelfde plek bij de onderste vijf landen op plaats 45 waarbij daarna nog komen Armenië, Turkije, Azerbeidzjan en Rusland.
6.1.2
Voorts controleerden volgens het jaarrapport van HRW over 2024 van 16 januari 2025 [4] de autoriteiten in dat jaar routinematig de telefoons van Wit-Russen die terugkeerden uit het buitenland. Ook uit het rapport van de mensenrechtenorganisatie Viasna [5] blijkt dat elke dag Wit-Russische staatsburgers die het land binnenkomen worden ondervraagd en dat informatie op sociale netwerken daarvoor al genoeg kan zijn.
Daar komt bij dat uit recente rapporten en het World report 2024 van HRW blijkt dat de algehele mensenrechtensituatie is verslechterd. Volgens de rechtbank kan dit zijn weerslag hebben op kwetsbaren.
6.1.3
Eiser heeft in het kader van zijn kwetsbaarheid verwezen naar een brief van Rainbow Lausanne van 30 mei 2022, zijn aanmelding bij Expertisecentrum Euthanasie van 19 maart 2021 en een rapport van een psychiater-regievoerder van 5 juni 2025.
In die laatste brief staat onder meer dat eiser is gediagnosticeerd met een post-traumatische stressstoornis, een ernstige depressieve stoornis met recidiverende episode, een ernstige stoornis in alcoholgebruik en door diverse verhoogde waardes een zeer verhoogd risico loopt op hart- en vaatziekten. Verder wordt melding gemaakt van een ernstige zelfmoordpoging in Zwitserland. Eiser is sinds enkele weken wel gestopt met alcohol, maar alleen om bij de eerstvolgende suïcidepoging goed door te kunnen pakken richting een geslaagde suïcide. Eiser wordt behandeld met therapie en medicatie en zal starten met traumatherapie. De rechtbank volgt eiser op grond hiervan in zijn stelling dat hij zeer kwetsbaar is.
6.1.4
Voorts is eiser is al sinds tenminste 2003 weg uit Wit- Rusland. Ook heeft eiser stukken overgelegd uit zijn bewaringsprocedure waaruit opgemaakt kan worden dat er een LP-aanvraag is gedaan voor eiser, maar dat de Wit-Russische autoriteiten zouden hebben aangegeven eiser niet te kennen. Dit maakt eiser bij terugkeer vatbaar voor extra ondervraging.
6.2.
De rechtbank concludeert hieruit dat eiser, gelet op zijn homoseksualiteit, de veranderde wetgeving met betrekking tot homoseksuelen, zijn kwetsbaarheid, zijn lange verblijf buiten Wit-Rusland en de algehele verslechtering van de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland, bij terugkeer een risico kan lopen op vervolging of ernstige schade. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser dat risico niet loopt en het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen risico zal lopen op vervolging of ernstige schade en het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hij krijgt hiervoor zes weken.
7.1.
Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
7.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 19 maart 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1814,-.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

4.https://www.hrw.org/world-report/2025/country-chapters/belarus.
5.https://spring96.org/en/news/116257.