ECLI:NL:RBDHA:2025:23669

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
24/10066
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens uitblijven beslissing op Woo-verzoek

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep wegens het uitblijven van een beslissing op haar Woo-verzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder op 21 januari 2025 alsnog een beslissing heeft genomen op het Woo-verzoek, maar dat dit pas na het verstrijken van de beslistermijn is gebeurd. De rechtbank concludeert dat het in eerste instantie aan verweerder te wijten is dat hij het Woo-besluit pas na de termijn heeft genomen, en ziet daarom aanleiding om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft op 3 oktober 2024 een Woo-verzoek ingediend, maar verweerder heeft niet tijdig gereageerd. De rechtbank oordeelt dat verzoekster niet kan worden verweten dat zij niet heeft meegewerkt aan een opschorting van de beslistermijn. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe en bepaalt dat verweerder € 907,- aan proceskosten aan verzoekster moet vergoeden, evenals het griffierecht van € 187,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/10066

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Drazenovic en mr. B. Hofman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep wegens het uitblijven van een beslissing op haar Wooverzoek. [1] Zij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 21 januari 2025 alsnog een Woo-besluit heeft genomen.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om de proceskosten te vergoeden.
1.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoekster heeft op 3 oktober 2024 een verzoek ingediend bij verweerder op grond van de Woo. Het Woo-verzoek ziet op: ‘alle documenten over het onderwerp VVE [2] verklaringen (peuterspeelzalen) vanaf vaststelling meest recente beleidsstuk met kenmerk 19.116718. Interne en externe afspraken (communicatie) met consultatiebureaus inbegrepen. Wanneer wat is gecommuniceerd tot op heden’. Omdat verweerder geen beslissing op dit Wooverzoek heeft genomen, heeft verzoekster beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. Op 21 januari 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op het Woo-verzoek. Er zijn 113 documenten aangetroffen die binnen de reikwijdte van het verzoek vallen. De Woo-stukken zijn op 10 februari 2025 verstrekt (264 pagina’s). Verzoekster heeft daarop haar beroep ingetrokken met een verzoek om een proceskostenveroordeling. Deze zaak gaat over de vraag of dit verzoek moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster vindt dat haar verzoek om een proceskostenveroordeling moet worden toegewezen. Zij wijst erop dat zij al op 3 oktober 2024 het Woo-verzoek heeft gedaan, zij belang had bij een tijdige beslissing op haar Woo-verzoek, verweerder de beslistermijn niet heeft verlengd en verweerder pas na het verstrijken van de beslistermijn om precisering van het Woo-verzoek heeft verzocht en belanghebbenden om een zienswijze heeft gevraagd.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder vindt dat onder de gegeven omstandigheden het verzoek moet worden afgewezen. Hij voert daartoe aan dat verzoekster niet heeft willen meewerken aan precisering van haar ruime Woo-verzoek. In plaats van te kiezen voor het niet in behandeling nemen van het Woo-verzoek, is dit om verzoekster van dienst te zijn alsnog inhoudelijk behandeld. Verweerder heeft verzoekster en haar gemachtigde ook steeds op de hoogte gehouden van de stand van zaken. Verzoekster had in redelijkheid geen beroep niet tijdig mogen indienen. Van een ander belang dan het vergaren van dwangsomgelden of het hanteren van een onredelijk pressiemiddel is verweerder niet gebleken, gelet op het ruim geformuleerde verzoek en de vele documenten die zijn opgevraagd. Verweerder wijst op artikel 8.4, derde en/of vierde lid, van de Woo dat voor dit verzoek (naar analogie) van toepassing zou moeten zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
6. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
Is verweerder aan verzoekster tegemoetgekomen?
7. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
7.1.
Verzoekster heeft op 3 oktober 2024 digitaal een Woo-verzoek ingediend. Op grond van artikel 4.4, eerste lid, van de Woo was verweerder gehouden om binnen vier weken op dit Woo-verzoek te beslissen. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder dus uiterlijk op 31 oktober 2024 een beslissing op het Wooverzoek had moeten nemen. Op 31 oktober 2024 heeft verweerder per email een verzoek om precisering aan verzoekster gedaan waarbij hij haar vraagt om het Woo-verzoek te verduidelijken. Daarbij heeft hij ook vermeld dat de beslistermijn met twee weken wordt opgeschort. Verweerder heeft deze e-mail per ongeluk naar het verkeerde e-mailadres verstuurd. [4] Dit maakt dat de beslistermijn niet is opgeschort. [5]
7.2.
Verzoekster heeft op 1 november 2024 per e-mail een ingebrekestelling naar verweerder verstuurd. Uit de stukken maakt de rechtbank verder op dat verweerder op 8 november 2024 nogmaals een (onjuist geadresseerd) verzoek om precisering heeft gedaan. Het verzoek om precisering van 21 november 2024 is wel juist geadresseerd. Verzoekster heeft hier diezelfde dag op gereageerd. Omdat een beslissing op haar Wooverzoek uitbleef, heeft verzoekster op 20 december 2024 beroep ingesteld vanwege het uitblijven van een beslissing.
7.3.
Verweerder is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster door op 21 januari 2025 alsnog een beslissing te nemen op het Woo-verzoek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het verzoek toe te wijzen. Zij overweegt daartoe verder het volgende.
7.4.
Gelet op artikel 8.4, vierde lid, van de Woo kan de bestuursrechter een proceskostenveroordeling achterwege laten indien het niet tijdig nemen van een Woo-besluit kennelijk het gevolg is van de wijze van indiening van het Woo-verzoek. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het Woo-verzoek is digitaal ingediend door middel van het formulier ‘Informatieaanvraag Wet open overheid’. Het Woo-verzoek van verzoekster was daarmee als zodanig herkenbaar. Gelet op het derde lid van datzelfde artikel kan de vergoeding van griffierecht en proceskosten ook achterwege blijven als de verzoeker bij een omvangrijk verzoek niet heeft meegewerkt aan opschorting of verdere verlenging van de beslistermijn. [6] Daargelaten of hier sprake is van een omvangrijk verzoek, ziet de rechtbank in ieder geval geen aanleiding voor het oordeel dat verzoekster onvoldoende heeft meegewerkt aan overeenstemming over een opschorting van de beslistermijn of verder uitstel van de beslistermijn.
7.5.
Verweerder is verplicht om, wanneer een Wooverzoek te algemeen geformuleerd is, binnen twee weken na ontvangst van het Wooverzoek de Woo-verzoeker te vragen om het Woo-verzoek te preciseren. [7] Verweerder heeft het verzoek om precisering pas op 21 november 2024 – na het verstrijken van de beslistermijn op 31 oktober 2024 – juist geadresseerd. Eenzelfde geldt voor het verzoek om een zienswijze aan belanghebbenden op 11 december 2024. Het verzoek om een zienswijze is ook pas ná het verstrijken van de beslistermijn gedaan. Het is dus in eerste plaats aan verweerder te wijten dat hij het Woobesluit pas na het verstrijken van de beslistermijn heeft kunnen nemen.
7.6.
Verweerder voert aan dat hij verzoekster en haar gemachtigde steeds heeft geïnformeerd over de behandeling van het Woo-verzoek. Uit de overlegde correspondentie leidt de rechtbank inderdaad af dat verzoekster verschillende keren op de hoogte is gesteld over de voortgang van de behandeling. Bijvoorbeeld met de e-mail van 19 december 2024 waarin verweerder laat weten dat één van de belanghebbenden om uitstel heeft gevraagd en tot 3 januari 2025 heeft om een zienswijze in te dienen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat gedurende de behandeling van het Woo-verzoek is geprobeerd om overeenstemming te bereiken met verzoekster over een termijn waarbinnen het voor verweerder mogelijk is om alsnog een beslissing te nemen op het verzoek. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op de weg van verweerder gelegen, zeker nu de beslistermijn al was verstreken. Verzoekster kan daarom niet worden verweten dat zij hieraan niet heeft meegewerkt.
7.7.
Verweerder wijst er verder nog op dat het Woo-verzoek mogelijk sneller had kunnen worden behandeld als verzoekster in reactie op het verzoek om precisering een nadere toelichting had gegeven op haar Woo-verzoek. Verweerder heeft verzoekster gevraagd te specificeren op welke soorten documenten zij doelt, hij noemt daarbij als voorbeeld beleidsnota’s, rapportages of overeenkomsten. Ook vraagt hij om toe te lichten welke specifieke communicatievormen verzoekster wenst te ontvangen en of er specifieke afdelingen of personen binnen de gemeente zijn van wie zij de communicatie zou willen ontvangen. Zij heeft daarop slechts toegelicht dat haar verzoek duidelijk is, met als toevoeging ‘Alle documentatie binnen de gemeente over VVE’. Wat er ook zij van deze korte toelichting, hieruit leidt de rechtbank nog niet af dat verzoekster te kwader trouw zou zijn en dat het haar bij het instellen van dit beroep uitsluitend te doen was om het vergaren van dwangsomgelden.
7.8.
De door verweerder genoemde omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek om een proceskostenveroordeling zal toewijzen.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoekster vergoeden?
8. De rechtbank wijst het verzoek toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van eiseres heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat deze zaak alleen gaat over het toekennen van een proceskostenveroordeling. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
9. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 187,- te vergoeden. [8] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Voor- en vroegschoolse educatie.
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Het juiste e-mailadres eindigt op ‘.nl’ in plaats van ‘.com’.
5.Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 7 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:709, r.o. 3.3.
6.Artikel 8.4, derde en vierde lid van de Woo.
7.Gelet op artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo.
8.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.