Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te behoren tot de Tigrinya bevolkingsgroep. Hij geeft aan te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. Op vierjarige leeftijd heeft eiser met zijn moeder illegaal Eritrea verlaten omdat zijn vader in de gevangenis zat vanwege hun religie, het christendom. Eiser heeft verklaard dat hij tot de pinkstergemeenschap behoort. Eiser en zijn moeder zijn toen naar Ethiopië gevlucht. Eiser geeft aan dat hij niet terug kan naar Eritrea, hij vreest daar te worden vervolgd vanwege zijn geloof en omdat hij illegaal is uitgereisd. Eiser geeft aan dat als hij terug zou gaan naar Eritrea hij in militaire dienst of naar de gevangenis moet.
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Illegale uitreis uit Eritrea;
3. Problemen vanwege het behoren tot de pinkstergemeenschap;
4. Militaire dienstplicht.
8. De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief van eiser ongeloofwaardig is. Eiser heeft geen identificerende documenten of objectieve documenten overgelegd die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst volledig ondersteunen. Daarom heeft de minister verder beoordeeld of dit asielmotief geloofwaardig is. De minister vindt dat eiser geen duidelijke verklaring heeft voor het ontbreken van identificerende documenten en dat eisers verklaringen niet aannemelijk en samenhangend zijn. Daarmee voldoet eiser volgens de minister niet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw. Nu de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig vindt, zijn het tweede, derde en vierde asielmotief niet getoetst. De minister concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen. Ook legt de minister een terugkeerbesluit op.
Identiteit, nationaliteit en herkomst
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
10. Eiser is in 2022 via Roemenië naar Nederland gereisd. In Roemenië heeft eiser een verzoek om internationale bescherming ingediend. De Roemeense autoriteiten hebben dit verzoek afgewezen. De Nederlandse autoriteiten hebben daarom op 6 januari 2023 de autoriteiten van Roemenië gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Op 17 januari 2023 zijn de autoriteiten van Roemenië hiermee akkoord gegaan. Eiser is echter niet binnen de termijnen overgedragen aan Roemenië. Op grond hiervan is eiser toegelaten tot de nationale procedure.
11. Eiser voert aan dat de minister eraan voorbijgaat dat de Roemeense autoriteiten wel hebben erkend dat eiser is geboren in Eritrea en de Eritrese nationaliteit heeft. Eiser stelt dat, nu een andere lidstaat van de Europese Unie deze kwalificatie heeft vastgesteld, Nederland gebonden is om eiser ook zo te registreren.
12. De rechtbank stelt voorop dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de gegevens die een andere lidstaat over een asielzoeker heeft geregistreerd. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel strekt niet zo ver dat de minister op grond daarvan verplicht is van de geregistreerde gegevens uit te gaan in de gevallen waarin hij nader onderzoek naar die gegevens aangewezen acht, zoals in dit geval naar de identiteit, herkomst en nationaliteit van de vreemdeling. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 30 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1408) en 26 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2586). 13. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte twijfelt aan de kwalificatie van Roemenië over de nationaliteit van eiser. De minister heeft daarom nader onderzoek mogen doen en zijn eigen beoordeling mogen maken over de nationaliteit, identiteit en herkomst van eiser. Hiervoor is van belang dat eiser geen documenten heeft overlegd die zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onderbouwen. Ook heeft de minister kunnen betrekken dat de Roemeense autoriteiten de registratie van eiser als Eritreeër enkel hebben gebaseerd op zijn eigen verklaringen en niet op identificerende documenten. Eiser heeft namelijk tijdens het aanmeldgehoor Dublin van 9 december 2022 en tijdens het nader gehoor van 10 oktober 2024 verklaard dat hij nooit identificerende documenten heeft gehad.
Geloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser
14. Eiser voert verder aan dat hij in bewijsnood is voor het aanleveren van officieel identificerende documenten. Eiser is namelijk op vierjarige leeftijd, zonder documenten, met zijn moeder naar Ethiopië vertrokken. Hij heeft nooit officiële identificerende documenten gehad. Het is voor vluchtelingen uit Eritrea ook lastig om officiële documenten te verkrijgen. Eiser stelt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij geen stappen heeft ondernomen om documenten te verkrijgen. Eiser had namelijk kerkasiel in Ethiopië en had daar toegang tot de voorzieningen die hij nodig had, waardoor er geen noodzaak was tot registratie bij de UNHCR. De documenten die eiser wel heeft overgelegd, namelijk een verklaring van de kerk, een foto van zijn schoolklas en identiteitsdocumenten van zijn vader, heeft de minister op onjuiste wijze meegewogen. Verder werpt de minister ten onrechte tegen dat eiser geen Tigrinya meer spreekt. Eiser heeft vanaf zijn zevende levensjaar in een gemeenschap gewoond waar geen Tigrinya werd gesproken. Hierdoor is hij het Tigrinya verleerd. Eiser kan het alleen nog verstaan, maar niet meer spreken. Ook heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over Eritrea. Eiser heeft Eritrea namelijk op jonge leeftijd verlaten.
Niet gemeld bij de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR)
15. De minister heeft terecht gesteld dat eiser onvoldoende documenten heeft aangeleverd en dat eiser hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser woonde tijdens zijn volwassen leven in Ethiopië. Daarom mocht van hem worden verwacht dat hij zich zou inspannen voor het verkrijgen van documenten. Eiser had zich als vluchteling kunnen laten registreren in Ethiopië. Niet is gebleken dat eiser dergelijke inspanningen heeft verricht en hij heeft geen bevredigende verklaring gegeven waarom hij dat niet heeft gedaan. Het standpunt van eiser dat hij deze documenten ‘niet nodig’ zou hebben en er geen ‘noodzaak’ was omdat hij al kerkasiel had, betekent niet dat het niet logisch zou zijn om het wel te doen. Dit ontkracht de stelling van de minister dat het van eiser mocht worden verwacht om zichzelf te registreren bij de UNHCR niet.
16. De rechtbank overweegt verder dat eiser ten onrechte verwijst naar de rapportage ‘
Proof of registration and refugee ID – UNHCR Ethiopia.’Eiser stelt dat het niet mogelijk was om zich te laten registreren bij de UNHCR omdat hiervoor een identificerend document is vereist en hij dit niet heeft. De minister heeft hierover terecht opgemerkt dat in de betreffende rapportage wordt vermeld dat persoonlijke en biometrische gegevens zoals naam, leeftijd, nationaliteit, adres, vingerafdrukken, iris scan en een foto moeten worden verstrekt. In de rapportage staat dat iemand die zich wil registreren de identiteitspapieren waarover hij beschikt moet meebrengen, maar er staat niet dat iemand geen kans heeft als hij niet over identiteitspapieren beschikt. Hieruit volgt dus niet dat een officieel identificerend document, zoals een geboorteakte, moet worden overgelegd. Het standpunt van eiser is dus onjuist.
Ingediende documenten
17. De rechtbank is van oordeel dat de overgelegde verklaring van de kerk en de schoolfoto niet bijdragen aan het aannemelijk maken van de identiteit van eiser. Ten aanzien van de verklaring van de kerk heeft de minister terecht overwogen dat deze tegenstrijdig is met de verklaringen van eiser zelf. In de verklaring van de kerk staat vermeld dat eiser tot de ‘8th grade’ naar school is geweest en dat hij daarna naar een andere school is gegaan. Dit is tegenstrijdig met de verklaring die eiser in het nader gehoor heeft gegeven, waarin hij heeft gezegd dat hij nooit naar school is geweest maar dat door kerken uit liefde les werd gegeven aan kinderen (zie nader gehoor, p. 4 en 5). Ook heeft eiser in het beroepschrift aangegeven dat hij alleen informele lessen heeft gevolgd. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat hij enkel Bijbellessen heeft gehad en niet naar een normale basis- of middelbare school is geweest. De rechtbank heeft eiser tijdens zitting gevraagd naar ‘de andere school’ waarnaar hij volgens de overgelegde verklaring van de kerk heen zou zijn gegaan. Hier heeft eiser op geantwoord dat hij niet naar deze school is geweest. Omdat de verklaring van de kerk en de eigen verklaringen van eiser niet met elkaar overeenstemmen heeft de minister ook kunnen overwegen dat er geen waarde kan worden gehecht aan de schoolfoto die bij de verklaring van de kerk is gevoegd.
18. Nu eiser zelf geen originele en identificerende documenten heeft overlegd waaruit zijn identiteit, nationaliteit of herkomst blijken, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de kopie van de identiteitskaart toebehoort aan zijn vader. Eiser stelt weliswaar dat de kopie van de identiteitskaart tot zijn vader behoort, maar kan dit niet onderbouwen met andere stukken. Hierdoor kan de familieband tussen eiser en de persoon op de kopie van de identiteitskaart niet worden vastgesteld. Om die reden heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overlegde kopie van de identiteitskaart zijn identiteit, nationaliteit of herkomst niet onderbouwt.
Beheersing van het Tigrinya
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser, gelet op zijn achtergrond, een betere beheersing van het Tigrinya mocht worden verwacht. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser zelf heeft verklaard dat hij is opgegroeid in Eritrea en tot zijn zevende levensjaar met zijn moeder in Tigrinya heeft gecommuniceerd (zie nader gehoor, p. 4, 6 en 7). Ook heeft eiser in het nader gehoor en op de zitting aangegeven op latere leeftijd bij een Eritrese man te hebben gewoond. Op de zitting heeft eiser verklaard dat deze man nooit thuis was. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser heeft willen aangeven dat er tussen hen geen Tigrinya werd gesproken, maar eiser heeft in de stukken en op de zitting onvoldoende onderbouwd hoe dit precies zit. Ook heeft eiser verklaard zijn moedertaal te zijn vergeten. Tijdens het nader gehoor heeft hij gezegd dat hij als kind Tigrinya sprak maar dat hij, naarmate hij ouder werd, dit begon te vergeten (zie nader gehoor p.7). Op de zitting heeft eiser toegelicht dat het vergeten van een moedertaal mogelijk is en dat dit blijkt uit een onderzoek op [internetsite] . De rechtbank constateert dat eiser deze stelling onvoldoende heeft geconcretiseerd. Hij heeft enkel verklaard al meer dan twintig jaar uitsluitend Amhaars te spreken, maar heeft niet onderbouwd toegelicht hoe de bevindingen van het onderzoek van [internetsite] specifiek op zijn situatie van toepassing zijn. Dat het mogelijk is om een moedertaal te vergeten, betekent nog niet dat dit ook bij eiser het geval zou zijn.