ECLI:NL:RBDHA:2025:23752
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning regulier als gezinslid bij vader op grond van mvv-vereiste en Turks associatierecht
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn vader, de referent. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. De vrijstelling is alleen mogelijk indien eiser onder het Turks associatierecht valt, wat inhoudt dat hij ten laste van de referent moet zijn. De minister heeft geoordeeld dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt.
Eiser betoogt dat hij wel ten laste van de referent is, omdat hij geen vermogen of bezittingen in Turkije heeft en zijn werk in Nederland is. De rechtbank stelt echter vast dat eiser al geruime tijd in Nederland verblijft en dat hij als vennoot in een vennootschap onder firma een zelfstandig inkomen heeft. De minister heeft daarom terecht geoordeeld dat eiser niet ten laste van de referent komt.
Daarnaast stelt eiser dat zijn uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro, omdat dit het gezinsleven met de referent zou belemmeren. De rechtbank volgt dit niet, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigen.
Eiser heeft verder betoogd dat zijn hele gezin verblijfsrecht heeft, maar heeft dit betoog op zitting laten vallen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de aanvraag. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.