BIJLAGE
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 19 juni 2024, nr. IENW/BSK-2024/63686, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit in verband met subsidie private laadinfrastructuur
Paragraaf 2.3. Private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen 2009;
stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
Artikel 2.3.3. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation, verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur en de meest geschikte locaties passend bij de bedrijfsvoering, beschikbare netcapaciteit en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
c. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten, in combinatie met:
b. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt;
c. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW die in totaal bestaan uit ten minste vier laadpunten; of
d. een of meer AC laadstations met een vermogen vanaf 43 kW.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien de subsidie voor de activiteit bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, ten minste € 25.000 betreft.
5. De stationaire batterij bedoeld in het vierde lid:
a. heeft een maximaal in- en uitgaand vermogen van 50% van het gecontracteerde transportvermogen;
b. heeft een maximale C-waarde van 0,25; en
c. heeft een opslagcapaciteit van maximaal 1.000 kWh.
Artikel 2.3.5. Subsidiabele kosten
[…]
2. Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
Artikel 2.3.6. Hoogte subsidie
[…]
2. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
b. voor een mkb-onderneming:
i. € 904 voor een AC laadstation met een vermogen vanaf 11 kW;
7. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
b. voor een mkb-onderneming € 160 per kWh opslag.
[…]
Artikel 2.3.7. Subsidieplafond en wijze van verdelen
1. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, voor het jaar 2024:
a. € 17.900.000 voor advisering en voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
3. Het subsidieplafond bedraagt voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid, voor het jaar 2024:
a.€ 4.500.000 voor investeringen in een stationaire batterij voor andere aanvragers dan OVconcessiehouders of touringcarbedrijven;
[…]
4. De Minister verdeelt het beschikbare bedrag op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.
Artikel 2.3.8. Aanvraagperiode
Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 24 september 2024, 9.00 uur tot en met 31 december 2024, 12.00 uur.
Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit
Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 januari 2025, nr. IENW/BSK-2025/15703, tot wijziging van de Tijdelijke subsidieregeling zero-emissie mobiliteit in verband met aanpassingen van financiële en technische aard aan de paragraaf private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Paragraaf 2.3. Private laadinfrastructuur elektrische voertuigen
Artikel 2.3.1. Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
AC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 zonder ingebouwde converter;
OV-concessiehouder: vergunninghoudende vervoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000 van een concessie voor openbaar busvervoer;
DC laadstation: laadstation als bedoel in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804 met ingebouwde converter;
duopaal: AC laadstation met twee laadpunten die gelijktijdig een vermogen vanaf 11 kW per laadpunt kunnen leveren;
exploitant van laadinfrastructuur: onderneming waarvan de activiteiten op de locatie in hoofdzaak bestaan uit het via laadinfrastructuur of tankstations aanbieden van elektriciteit of brandstoffen aan derden;
hernieuwbare elektriciteit: elektriciteit als bedoeld in artikel 2, punt 102 quinquies, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadinfrastructuur: oplaadinfrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 102bis, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
laadlocatie: locatie met een of meer laadstations met daarbij behorende laadplekken of laadparkeervakken;
laadpunt: laadpunt als bedoeld in artikel 2, punt 48, van verordening 2023/1804;
laadstation: laadstation als bedoeld in artikel 2, punt 52, van verordening 2023/1804;
MIA: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieuinvesteringen 2009;
stationaire batterij: systeem voor het opslaan en op een later tijdstip leveren van elektriciteit, dat zich niet bevindt in een elektrisch voertuig, maar wel communiceert met het laadstation.
Artikel 2.3.3. Subsidiabele activiteiten
1. De Minister kan op grond van deze paragraaf subsidie verstrekken voor:
a. advisering door een bij de Kamer van Koophandel ingeschreven onderneming over de realisatie van private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is; of
b. investeringen in de aanleg van in Nederland gelegen nieuwe private laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen die niet te allen tijde voor het publiek toegankelijk is.
2. De advisering bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, bestaat uit een na 1 april 2024 opgesteld advies dat ten minste de volgende elementen bevat:
a. het huidig elektriciteitsverbruiksprofiel van de locatie, en de verwachte groei van het elektrische wagenpark van de aanvrager, diens klanten of huurders;
b. het aantal benodigde laadpunten, type laadstation dat past bij de laadvraag van het elektrisch wagenpark passend bij de bedrijfsvoering en de verwachte investeringskosten van de laadinfrastructuur, uitgewerkt als de totale kosten voor het laden waarin ook operationele kosten zijn meegenomen;
c. de voorziene netcapaciteit, de grootte van de benodigde netaansluiting en, bij ontbreken van voldoende netcapaciteit, de verwachte duur tot realisatie of aanpassing van de netaansluiting; en
d. een situatietekening waarin de fysieke inpassing van de laadinfrastructuur is weergegeven.
3. De laadinfrastructuur bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bestaat uit een of meer laadstations en bevat ten minste:
a. een of meer DC laadstations met een vermogen vanaf 20 kW bestaande uit ten minste een laadpunt; of
b. een of meer AC laadstations met een vermogen van minimaal 11 kW, mogelijk in combinatie met de basislaadinfrastructuur, bestaande uit het totaal van de infrastructuur behorende bij het laadpunt, waaronder de hoofdaansluiting en de bekabeling, waarop laadpunten die voldoen aan mode 3 of mode 4 als bedoeld in NEN 1010 kunnen worden aangesloten.
4. De Minister kan in combinatie met de subsidie bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, subsidie verstrekken voor een investering in een in Nederland geplaatste stationaire batterij tot een maximum van 1.000 kWh per laadlocatie indien:
a. de subsidie voor de activiteiten in totaal ten minste € 25.000 bedraagt; en
b. de benodigde netcapaciteit voor de te realiseren laadstations meer dan 50% is van het maximaal beschikbare vermogen op de huidige aansluiting, zoals blijkt uit het contract bedoeld in artikel 2.3.12, eerste lid, onderdeel f.
5. De stationaire batterij, bedoeld in het vierde lid, heeft een maximale hardwarematige Cwaarde van 0,25, tenzij:
a. deze is geïntegreerd in het laadstation; of
b. de subsidie wordt aangevraagd door OV-concessiehouders.
Artikel 2.3.5. Subsidiabele kosten
[…]
2. Voor de subsidiabele activiteit bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b, of vierde lid, zijn subsidiabel de kosten die op grond van artikel 36bis van de algemene groepsvrijstellingsverordening voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
Artikel 2.3.6. Hoogte subsidie
[…]
2. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
b. voor een mkb-onderneming het maximum per laadstation bedoeld in bijlage 5.
7. De subsidie bedraagt voor de activiteit, bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid:
b. voor een mkb-onderneming € 100 per kWh opslag.
8. Onverminderd het tweede en zevende lid bedraagt de subsidie ten hoogste:
a. 40% van de subsidiabele kosten voor een mkb-onderneming;
Artikel 2.3.7a. Subsidieplafond en wijze van verdelen 2025
[…]
3. Voor andere aanvragers dan OV-concessiehouders of touringcarbedrijven bedraagt het subsidieplafond voor het jaar 2025:
a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, eerste lid, onderdeel b:
1°. € 10.000.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die AC laadstations betreft;
2°. € 35.402.000 voor de aanleg van laadinfrastructuur die DC laadstations betreft;
b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.3, vierde lid: € 6.550.000.
Artikel 2.3.8. Aanvraagperiode
[…]
2. Een aanvraag tot subsidievestrekking op grond van deze paragraaf kan worden ingediend van 25 maart 2025, 9.00 uur tot en met 19 december 2025, 12.00 uur voor het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.3.7a.