ECLI:NL:RBDHA:2025:23813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarbij het recht op tijdelijke bescherming per 4 maart 2022 werd beëindigd en een terugkeerbesluit werd uitgevaardigd. Tevens verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om het bestreden besluit te schorsen totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft zonder zitting op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht geoordeeld dat nu de rechtbank op het beroep heeft beslist, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het beëindigen van tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit wordt afgewezen.