De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om voorlopige ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen en machtiging tot uithuisplaatsing bij hun tante vanwege ernstige zorgen over hun veiligheid en ontwikkeling. De kinderen verblijven feitelijk in Suriname, maar de kinderrechter oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is vanwege de nauwe verbondenheid met Nederland.
De ouders verzetten zich tegen de rechtsmacht van de Nederlandse kinderrechter en betwisten de noodzaak van de maatregelen, stellende dat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Suriname hebben. De gecertificeerde instelling gaf aan dat uitvoering van maatregelen in Suriname praktisch onmogelijk is.
De kinderrechter constateert ernstige spanningen en geweld tussen de ouders, psychische problemen van de moeder en PTSS bij een van de kinderen. Gezien het gebrek aan zicht op het welzijn van de kinderen in Suriname en het vermoeden van een acuut gevaarlijke situatie, wordt voorlopige ondertoezichtstelling voor drie maanden bevolen.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt afgewezen vanwege onvoldoende informatie en feitelijke onuitvoerbaarheid. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.