Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
3.Procesverloop
€ 500,- per overtreding met een maximum van € 25.000,-.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft een geschil tussen ouders over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in een procedure inzake ouderlijke verantwoordelijkheid, specifiek over het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen samen met het minderjarige kind terug te verhuizen naar Nederland.
De vader diende zijn verzoek tot terugverhuisgebod voor het eerst in hoger beroep in, nadat de moeder en het kind waren verhuisd naar de Verenigde Arabische Emiraten. De kernvraag was welk peilmoment geldt voor de beoordeling van de internationale bevoegdheid: het moment van de eerste aanhangigmaking van de zaak in eerste aanleg of het moment van indiening van het verzoek in hoger beroep.
De Hoge Raad stelt vast dat het peilmoment voor het verzoek tot terugverhuisgebod het moment van indiening van het beroepschrift in hoger beroep is, namelijk 3 februari 2023. Op dat moment had het kind haar gewone verblijfplaats in de Verenigde Arabische Emiraten, een staat die niet is aangesloten bij Brussel II-bis of het Haags Kinderbeschermingsverdrag. Hierdoor kan de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid ontlenen aan Brussel II-bis en moet de bevoegdheid worden beoordeeld aan de hand van artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad bevestigt dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Rv Pro in beginsel geen rechtsmacht heeft wanneer het kind zijn gewone verblijfplaats buiten Nederland heeft, tenzij sprake is van een uitzonderlijk geval. Het hof heeft geoordeeld dat van een dergelijk uitzonderlijk geval geen sprake is vanwege het gebrek aan zicht op de feitelijke situatie van het kind in het buitenland. Dit oordeel is in cassatie niet onbegrijpelijk gebleken. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Nederlandse rechter geen internationale bevoegdheid heeft voor het verzoek tot terugverhuisgebod omdat het peilmoment het moment van indiening in hoger beroep is en het kind dan buiten Nederland verblijft.