ECLI:NL:RBDHA:2025:23929

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.52502 en NL25.52504
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag niet in behandeling genomen wegens verantwoordelijkheid België

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 9 december 2025 uitspraak gedaan in de zaken NL25.52502 en NL25.52504, waarbij de asielaanvragen van eisers niet in behandeling zijn genomen. De minister van Asiel en Migratie, verweerder, heeft de aanvragen buiten behandeling gesteld op grond van de Dublinverordening, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvragen. Eisers, een gezin met een minderjarig kind, hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten en verzocht om voorlopige voorzieningen. De rechtbank heeft de beroepen op 5 december 2025 behandeld.

De rechtbank oordeelt dat eisers niet in hun bewijslast zijn geslaagd. De Europese regelgeving, vastgelegd in de Dublinverordening, stelt dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als een andere lidstaat verantwoordelijk is. In dit geval heeft Nederland op 24 september 2025 verzoeken om terugname aan België gedaan, die op 29 september 2025 zijn aanvaard. Verweerder heeft terecht gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan België een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met de mensenrechten.

Eisers hebben aangevoerd dat zij vanwege bijzondere omstandigheden, zoals de zwangerschap van eiseres, niet naar België kunnen worden overgedragen. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat verweerder op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de naleving van verdragsverplichtingen door België. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard, wat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven en eisers geen proceskostenvergoeding ontvangen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52502 en NL25.52504

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], eiser (zaaknummer NL25.52502), en
[eiseres], eiseres (zaaknummer NL25.52504),
mede namens de minderjarige dochter van eiseres:
[minderjarige](zaaknummer NL25.52504)
samen: eisers,
V-nummers: [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]
(gemachtigde: mr. J.M. Bell),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Met de bestreden besluiten van 24 oktober 2025 heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvragen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen.
De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om voorlopige voorzieningen (eiser: zaaknummer NL25.52503 en eiseres en haar dochter: zaaknummer NL25.52505) op 5 december 2025 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de besluiten
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 24 september 2025 bij België verzoeken om terugname gedaan. België heeft deze verzoeken op 29 september 2025 aanvaard.
1.1.
Met de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij overdracht aan België een reëel risico lopen op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook hebben eisers volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om hun asielaanvragen in Nederland in behandeling te nemen.
De beroepsgronden van eisers
2. Eisers voeren aan dat verweerder de asielaanvragen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Zij stellen dat ten aanzien van België niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het gezin is eerder in België onmenselijk behandeld. Ondanks dat eiseres de Belgische autoriteiten had laten weten dat zij zwanger was, kreeg het gezin geen opvang. Zij leefden op straat en kregen niets te eten. Volgens eisers is er sprake van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat een overdracht aan België van onevenredige hardheid getuigt. Daarnaast heeft verweerder niet onderbouwd waarom hij aan eiseres vanwege haar zwangerschap geen uitstel van vertrek heeft verleend.
Het oordeel van de rechtbank
3. Het algemene uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat België zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem in België dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan België een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, enkel sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken in de zin van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
3.1.
Eisers zijn naar het oordeel van de rechtbank niet in de op hen rustende bewijslast geslaagd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3305) weliswaar geoordeeld dat ten aanzien van niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eisers vormen echter een gezin met één minderjarig kind, en nadat eiseres is bevallen, minderjarige kinderen.
3.2.
In wat eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om te concluderen dat de situatie in België op dit moment voor gezinnen zodanig is dat sprake is van een mogelijke schending van artikel 4 van het Handvest. Eisers hebben geen landeninformatie overgelegd om te onderbouwen dat zij geen opvang zullen krijgen. Ook hebben zij niet onderbouwd dat zij eerder in België geen opvang en eten hebben gekregen. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 onder rechtsoverweging 5.3.1. juist overwogen dat noodopvangplaatsen vooral worden ingezet voor gezinnen met kinderen. Voor zover eisers aanvoeren dat zij vanwege de zwangerschap van eiseres niet aan België kunnen worden overgedragen, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van mag uitgaan dat België dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland, en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Nederland het meest geschikte land is voor hun medische situatie. Verder hebben de Belgische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eisers in behandeling zullen nemen. Hiermee garanderen de Belgische autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Mochten eisers van mening zijn dat de Belgische autoriteiten zich niet aan hun verdragsverplichtingen houden, dan ligt het op de weg van eisers om daarover te klagen bij de daartoe bevoegde Belgische autoriteiten.
3.3.
Verweerder heeft gelet op het voorgaande kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat België zijn internationale verplichtingen nakomt. Verweerder heeft in wat eisers hebben aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvragen van eisers aan zich te trekken.
3.4.
Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat verweerder vanwege eiseres haar zwangerschap ten onrechte geen uitstel van vertrek heeft verleend op grond van artikel 64 van de Vw, verwijst de rechtbank naar wat onder 3.2. is overwogen. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij vanwege de zwangerschap van eiseres een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Daarnaast hebben eisers niet gesteld, dan wel onderbouwd, dat zij vanwege de zwangerschap van eiseres niet kunnen reizen. Verweerder heeft bovendien op de zitting verklaard dat eiseres in de periode van zes weken voor tot zes weken na de bevalling niet zal worden overgedragen.
3.5.
De beroepsgronden slagen niet.

Conclusie en gevolgen

4. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.