Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verzocht om de geregistreerde waarde CO2-uitstoot van zijn voertuig met kenteken [kenteken] in het kentekenregister te wijzigen van 255 naar 254 gr/km. De CO2-uitstoot van een voertuig is van belang voor de hoogte van de Belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (bpm). Verweerster heeft het verzoek afgewezen, omdat zij de geregistreerde waarde heeft overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs en zij op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijnook daartoe gehouden was. Eiser heeft niet met bijvoorbeeld een Certificaat van Overeenstemming (CVO) of individueel goedkeuringscertificaat aangetoond dat de geregistreerde waarde onjuist is.
3. In artikel 42e, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) is bepaald dat wanneer een belanghebbende gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een gegeven dat bij of krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt of een niet-authentiek gegeven onjuist of ten onrechte wel, dan wel ten onrechte niet in het kentekenregister is opgenomen, hij onder opgave van die redenen aan de Dienst Wegverkeer een verzoek kan doen tot wijziging, verwijdering of opneming van dat gegeven.
In artikel 3, eerste lid, van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat de lidstaten een kentekenbewijs afgeven voor voertuigen waarvan de inschrijving volgens hun nationale wetgeving verplicht is. Dat kentekenbewijs bestaat hetzij uit slechts één deel overeenkomstig bijlage I, hetzij uit twee delen overeenkomstig de bijlagen I en II (hierna ook: het geharmoniseerd kentekenbewijs).
In artikel 4 van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat voor de toepassing van deze richtlijn het door een lidstaat afgegeven kentekenbewijs door de overige lidstaten wordt erkend voor de identificatie van het voertuig in het internationale wegverkeer en voor de nieuwe inschrijving ervan in een andere lidstaat. Hieraan is gevolg gegeven met artikel 25b van het Kentekenreglement.
In artikel 9 van de Kentekenbewijzenrichtlijn is bepaald dat de lidstaten elkaar bij de uitvoering van deze richtlijn bijstaan. Zij kunnen bilateraal of multilateraal gegevens uitwisselen, met name om vóór de inschrijving van een voertuig te controleren welke de rechtstoestand daarvan is, zo nodig in de lidstaat waar het tot dusver was ingeschreven.
4. Eiser stelt dat verweerster terecht de CO2-uitstootwaarde van 255 gr/km heeft overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs, maar dat zij naar aanleiding van het verzoek van eiser gehouden was deze waarde te wijzigen. Eiser heeft daarbij, aan de hand van de zogenoemde Scandinavische rekenmethode, die is neergelegd in Verordening (EU) nr. 183/2011, en gegevens die al in het kentekenregister staan vermeld, berekend dat de juiste waarde 254 gr/km is. Door de uitstootwaarde niet te wijzigen, handelt verweerster in strijd met Europees recht. Tot slot verzoekt eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ten aanzien van de wijziging in het kentekenregister.
5. Het voertuig van eiser is vanuit de Verenigde Staten ingevoerd in Litouwen. De rechtbank wijst er allereerst op dat het in deze zaak gaat om de herregistratie van het voertuig in Nederland. Hiervoor gelden andere regels dan voor een eerste goedkeuring voor de invoer van voertuigen vanuit derde landen.
6. Het gaat in dit geval om een voertuig dat niet is gebouwd voor de Europese markt en daarom geen Europese typegoedkeuring heeft waaruit de CO2-uitstoot volgt. Verweerster heeft overwogen dat in dat geval de uitstoot wordt overgenomen van het geharmoniseerd kentekenbewijs, de CVO, een individueel goedkeuringscertificaat, online registratiegegevens van officiële instanties of een individueel testrapport. Als de CO2-uitstoot niet uit een van de genoemde bronnen kan worden afgeleid, kan de uitstoot worden berekend met de Scandinavische rekenmethode. Verweerster heeft ter zitting uitgelegd dat dit een formule is om tot een zo goed mogelijke uitkomst te komen, maar de uitkomst vaak niet de exacte uitstootwaarde is. In dit geval is de CO2-uitstoot opgenomen op het Litouwse kentekenbewijs. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerster op grond van de Kentekenbewijzenrichtlijn in beginsel gehouden was het Litouwse kentekenbewijs te erkennen en de daarin opgenomen CO2-uitstoot over te nemen.
7. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 12 maart 2025overwogen dat verweerster echter niet gehouden is om onder alle omstandigheden zonder controle het geharmoniseerd kentekenbewijs te erkennen. Er kan sprake zijn van een bijzondere situatie. In geval van onduidelijkheden, twijfel of ontbrekende gegevens zal verweerster navraag doen bij de buitenlandse instantie die het kentekenbewijs heeft afgegeven.
8. De eigen berekening van eiser aan de hand van de Scandinavische rekenmethode leidt tot een andere uitstootwaarde dan op het Litouwse kentekenbewijs staat vermeld. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat er daardoor twijfel is over de juistheid van de opgenomen CO2-uitstoot en er daarom voor verweerster aanleiding bestond hierover navraag te doen. De Litouwse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat ten tijde van de invoer van het voertuig vanuit de Verenigde Staten geen CO2-uitstoot bekend was en dat zij de uitstoot hebben afgeleid van een Amerikaanse website met data van een door de Amerikaanse overheid goedgekeurde database.De op die website weergegeven gram per mijl hebben zij omgerekend naar gram per kilometer. Verweerster heeft er voorts op gewezen dat nergens uit blijkt dat de goedkeuring van de Litouwse autoriteiten een Europese individuele goedkeuring betreft als bedoeld in Verordening (EU) nr. 183/2011, waarin de Scandinavische rekenmethode is opgenomen. Dit wordt ondersteund door de reactie van de Litouwse autoriteiten, waarin wordt gesproken van enkel een “individual approval inspection”. In artikel 2 van de Verordening is de mogelijkheid opgenomen om individuele goedkeuringen te verlenen en daarvoor alternatieve voorschriften vast te stellen.Het is niet aan verweerster na te gaan wat de Litouwse voorschriften voor de goedkeuring zijn. Gelet op de uitleg van de Litouwse autoriteiten en de omstandigheid dat de uitkomst van de Scandinavische rekentoets minimaal afwijkt van de CO2-uitstoot zoals opgenomen op het Litouwse kentekenbewijs, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de op het Litouwse kentekenbewijs opgenomen CO2-uitstoot evident onjuist is.Verweerster heeft de CO2-uitstoot dan ook terecht overgenomen van het Litouwse kentekenbewijs.
9. Eiser heeft voorts niet met een CVO, individueel goedkeuringscertificaat of individueel testrapport aangetoond dat de geregistreerde uitstootwaarde onjuist is. Er bestond daarom ook geen aanleiding voor verweerster de CO2-uitstoot in het kentekenregister te wijzigen.
Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
10. Een redelijke termijn voor de behandeling van een zaak in bezwaar en beroep gezamenlijk is in de regel twee jaar na het indienen van het bezwaarschrift, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. In dit geval is het bezwaarschrift op 26 mei 2023 door verweerster ontvangen. Ten tijde van de uitspraak zijn er twee jaar, vijf maanden en vierentwintig dagen verstreken.
11. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn aan verweerster is toe te rekenen. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 16 september 2024 ontvangen en op 19 november 2025 uitspraak gedaan. De behandeling van het beroep heeft daarmee minder dan anderhalf jaar geduurd. Verweerster heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding in de bezwaarfase niet aan haar is toe te rekenen. Zij heeft veel procedures van de gemachtigde van eiser over dit onderwerp en met de gemachtigde zijn afspraken gemaakt over het uitstellen van besluiten in afwachting van een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. In het dossier zit een e-mail van 23 november 2023 van verweerster aan de gemachtigde van eiser, waarin staat dat er zeven dossiers, waaronder die van eiser, klaarliggen voor een beslissing op bezwaar. In die e-mail staat verder dat met de gemachtigde van eiser is afgesproken dat in “de dossiers die zien op het registreren van de hoogste waarde uit de range (typegoedkeuring) de beslistermijn wordt aangehouden totdat over dit onderwerp in hoger beroep een uitspraak is gedaan. In de andere bezwaardossiers kan wel op bezwaar worden beslist.” In deze zaak gaat het niet om het registreren van de hoogste waarde uit de range. Uit het dossier valt verder niet te herleiden dat voor deze zaak wederzijdse instemming bestond voor het aanhouden van de beslistermijn. Ook anderszins is er geen reden om de termijnoverschrijding niet aan verweerder toe te rekenen.
12. De rechtbank zal daarom, uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, de schadevergoeding voor eiser vaststellen op een bedrag van € 500,00, als vergoeding van de door hem geleden immateriële schade.