ECLI:NL:RBDHA:2025:23950

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.24818
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing mvv-aanvraag familie- of gezinslid wegens onvoldoende belangenafweging

Eisers, Syrische familieleden van een meerderjarige broer met een asielvergunning, dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid. De minister wees de aanvraag af, waarbij werd geoordeeld dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder woog dan dat van eisers, ondanks erkend gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank vernietigde eerder het bezwaarbesluit omdat het belang van de minderjarige eisers onvoldoende was meegewogen, met name hun situatie bij de grootmoeder waar sprake zou zijn van mishandeling en dreiging met uithuwelijking. In het bestreden besluit bleef de minister bij zijn standpunt, maar de rechtbank oordeelt dat de belangenafweging wederom onvoldoende is onderzocht en dat de minister nagelaten heeft referent opnieuw te horen.

De rechtbank wijst erop dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de actuele situatie van eisers, waaronder het risico op mishandeling en uithuwelijking, en naar de financiële situatie van de referent. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek. Tevens worden de proceskosten aan verweerder opgelegd.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen na nader onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24818

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1], V-nummer: [v-nummer 1], eiseres 1,[eiser], V-nummer: [v-nummer 2], eiser,[eiseres 2], V-nummer: [v-nummer 3], eiseres 2,

tezamen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun gezamenlijke aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf bij familie- of gezinslid’.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 september 2022 afgewezen. Met het besluit van 1 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Met de uitspraak van 11 februari 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd. [1]
1.3.
Op 19 mei 2025 heeft verweerder opnieuw een besluit genomen op het bezwaar van eisers (het bestreden besluit). Verweerder heeft het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond verklaard.
1.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2006, eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2011 en eiser is geboren op [geboortedatum 3] 2008. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Eisers hebben op 6 augustus 2021 een aanvraag ingediend voor een mvv met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij hun meerderjarige broer, [naam] (referent). Referent heeft de Syrische nationaliteit en heeft sinds 24 juni 2021 een asielvergunning.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat er weliswaar sprake is van beschermenswaardig familieleven tussen referent en eisers in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [2] , maar de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Ondanks de vastgestelde objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, weegt het belang van de Nederlandse staat zwaarder dan dat van eisers. Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd, omdat verweerder de belangen van de minderjarige eisers onvoldoende heeft betrokken in de gemaakte belangenafweging. Verweerder heeft namelijk niet meegenomen dat eisers naar voren hebben gebracht dat zij bij hun oma slecht worden behandeld en daarnaast gevaar lopen op uithuwelijking en de militaire dienstplicht. De rechtbank volgde niet dat het in het belang van de kinderen was om bij de familieleden in Syrië te blijven, zoals verweerder in het vernietigde besluit had gemotiveerd. Verweerder heeft hierop in het bestreden besluit het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, omdat de belangenafweging nog altijd in het nadeel van eisers uitvalt. Verweerder heeft weer gemotiveerd dat het in het belang van de kinderen is dat eisers bij hun oma in Syrië blijven nu zij sinds februari 2016 hun primaire verzorger is. Dat de situatie van eisers bij hun oma schrijnend is, is niet gebleken nu eisers en referent dit niet hebben onderbouwd.
Wat vinden eisers in beroep?
5. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eisers en referent niet is aangetoond. Verweerder heeft daarnaast een onjuiste belangenafweging gemaakt. Het is namelijk wel in het belang van de kinderen dat eisers bij hun broer kunnen wonen. Met de vorige rechtbankuitspraak is vast komen te staan dat eisers bij hun oma niet goed worden verzorgd, dat zij worden geslagen en dat eiseressen worden bedreigd met uithuwelijking. Verweerder mocht hier in het bestreden besluit niet op terugkomen. Ook gelet op de algemene situatie in Syrië is het in het belang van eisers dat zij daar niet hoeven op te groeien. Verweerder moest daarnaast in de belangenafweging artikel 8 EVRM Pro betrekken dat eiseressen worden bedreigd met uithuwelijking en dat eiser gevaar loopt vanwege de dienstplicht. Verweerder had tot slot eisers en referent opnieuw moeten horen in het herleefde bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank zal dit oordeel hieronder toelichten.
7. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat er tussen eisers en referent gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank wijst erop dat verweerder wat betreft de familierechtelijke relatie het voordeel van de twijfel heeft gegeven. Verweerder heeft de familierechtelijke relatie dus, anders dan eisers hebben betoogd, wel aangenomen. Wel in geschil is of verweerder een juiste belangenafweging heeft gemaakt.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van het kind en de economische belangen van de staat onvoldoende heeft onderzocht in het bestreden besluit. Verweerder was gehouden om referent opnieuw te horen in het opnieuw opengevallen bezwaar. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en aan verweerder opdragen om nader onderzoek te doen naar de huidige situatie van eisers en referent, in het bijzonder naar de vraag of eisers bij hun oma mishandeld worden en naar de financiële situatie van referent. Op basis daarvan zal verweerder een nieuwe belangenafweging moeten maken.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de eerdere opdracht van de rechtbank om het belang van het kind deugdelijk mee te wegen, door voor de onderbouwing van het bestreden besluit slechts te verwijzen naar het eerdere gehoor. De rechtbank acht van belang dat verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld dat voor de weging van de aard en intensiteit van het gezinsleven, ook wordt gekeken naar hoe de situatie zich heeft ontwikkeld sinds het vertrek van referent. [3] Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen doen, zonder referent opnieuw te horen om onduidelijkheden op te helderen en de meest recente situatie in kaart te brengen. De rechtbank weegt mee dat tussen het gehoor op 9 juli 2024 en het nu bestreden besluit van 19 mei 2025 ruim tien maanden zijn verstreken. De rechtbank volgt eisers op dit punt overigens niet in hun betoog dat, gelet op de vorige uitspraak van de rechtbank, in rechte vaststaat dat eisers bij hun oma worden mishandeld. Uit het bestreden besluit en de toelichting van verweerder op zitting, maakt de rechtbank op dat verweerder in de vorige procedure niet heeft aangenomen dat dit het geval is. Verweerder heeft toen slechts niet betwist dat er mogelijk sprake is van een onveilige situatie bij hun primaire verzorgers. Doordat verweerder in het opnieuw opengevallen bezwaar referent niet nogmaals heeft gehoord, is echter onduidelijk gebleven of eisers gevaar lopen vanwege de thuissituatie en het risico op uithuwelijking. Verweerder zal daarom op basis van een nader onderzoek moeten beoordelen in hoeverre eisers gevaar lopen. Referent heeft ter zitting verklaard dat zijn zus Meray op dit moment vermist is omdat zij is ontvoerd. Deze omstandigheid kan verweerder eveneens onderzoeken en meenemen in de belangenafweging.
8.2.
Ook acht de rechtbank het nodig om referent opnieuw te horen om zijn individuele financiële situatie op dit moment in kaart te brengen. De rechtbank acht hierbij van belang dat uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 4 december 2024 volgt dat verweerder bij zijn standpunt over de mate van financiële onafhankelijkheid rekening houden met het antwoord op de vraag in hoeverre een referent heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om in de kosten van het onderhoud van zijn gezinsleden te voorzien. [4] Verweerder heeft bij het nemen van het nieuwe besluit niet (opnieuw) in kaart gebracht of referent studeerde, bezig was met het inburgeringstraject en/of een baan had. Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk vastgesteld wat van referent verwacht mag worden op financieel vlak, vooral nu aannemelijk is dat de financiële situatie van referent in deze fase veranderlijk is.
9. Reeds gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder nader onderzoek zal moeten doen en onzeker is wanneer dat kan worden afgerond. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 12 weken.
10.1.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 11 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2525.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie pagina 5 van het bestreden besluit.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4912.