ECLI:NL:RBDHA:2025:23992

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL24.16180
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tot verwijdering van gegevens uit het Schengen Informatie Systeem (SIS)

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 15 december 2025, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser tot verwijdering van zijn gegevens uit het Schengen Informatie Systeem (SIS) behandeld. Eiser, een Albanese nationaliteit, had eerder een aanvraag ingediend om zijn gegevens uit het SIS te laten verwijderen, maar deze aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing terecht was, omdat eiser niet voldeed aan de opheffingsvoorwaarden van de Vreemdelingenwet. De rechtbank legt uit dat de noodzaak van verdere bewaring van de gegevens in het SIS niet is getoetst aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, wat een tekortkoming in de motivering van het besluit van de minister oplevert. Ondanks dat het beroep gegrond wordt verklaard, blijft de handhaving van de SIS-signalering in stand, omdat eiser niet heeft aangetoond dat er bijzondere omstandigheden zijn die tot verwijdering van de signalering zouden moeten leiden. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16180

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie,voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Hadvy-Kovacs).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om verwijdering van zijn gegevens uit het Schengen Informatie Systeem (SIS). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 staan de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het besluit van 19 maart 2024. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om verwijdering van zijn gegevens uit het SIS. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 september 2023 afgewezen. Met het besluit van 19 maart 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

(Totstandkoming van) het besluit van 19 maart 2024

3. Eiser heeft de Albanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1993. Op 25 augustus 2015 is hij in Nederland aangehouden toen hij wilde uitreizen naar het Verenigd Koninkrijk met een vervalste Italiaanse identiteitskaart. Op 8 september 2015 is eiser veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf wegens het in het bezit hebben van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is. Eiser is bij besluit van 10 november 2015 tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000. Ook is in dat besluit bepaald dat eiser wordt gesignaleerd in het SIS. Dit besluit staat in rechte vast. Op 27 juni 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om verwijdering van zijn gegevens uit het SIS.
4. In het besluit van 19 maart 2024 staat dat de aanvraag van eiser wordt opgevat als een verzoek om opheffing van zijn ongewenstverklaring en dat voor inwilliging daarvan geen grond bestaat. Eiser voldoet immers niet aan de opheffingsvoorwaarden van artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Er is ook geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan de ongewenstverklaring - en de bijbehorende SIS-signalering - toch moet worden opgeheven. Er bestaat geen grond om te toetsen aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, aldus verweerder.

Beoordeling door de rechtbank van de beroepsgronden

Het procesbelang
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep van eiser zich uitsluitend richt tegen (het niet opheffen van) de SIS-signalering. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiser procesbelang heeft bij deze beroepsprocedure omdat de ongewenstverklaring, die ten grondslag ligt aan de SIS-signalering, nog van kracht is (en eiser ook niet om opheffing van deze ongewenstverklaring heeft verzocht).
5.1.
Volgens vaste rechtspraak kan de vreemdeling slechts opkomen tegen een besluit als hij bij het instellen van dat rechtsmiddel een belang heeft, in de zin dat hij daardoor materieel in een gunstigere positie zou geraken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3363). Naar het oordeel van de rechtbank is dat in deze zaak aan de orde. Door de verwijdering van eisers gegevens in het SIS, zien andere lidstaten niet meer dat eiser tot ongewenst vreemdeling is verklaard in Nederland. Het kan niet worden uitgesloten dat dit positieve gevolgen heeft voor eiser. Eiser kan bijvoorbeeld de toegang tot het Schengengebied worden ontzegd vanwege de SIS-signalering. Ook zou verwijdering hem kunnen helpen bij een toekomstige visumaanvraag in één van de andere lidstaten. Dit is anders dan in de uitspraak van deze rechtbank van 24 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:5101), waarnaar verweerder verwijst. Daar werd verzocht om de opheffing van de E&S signalering van de ongewenstverklaring. Deze opheffing bracht eiser niet materieel in een gunstigere positie omdat zowel de ongewenstverklaring als de E&S signalering ziet op (toegang tot en verblijf in) Nederland. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
Toets van de noodzaak van verdere bewaring van gegevens in het SIS
6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet na vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring van eisers gegevens in het SIS heeft getoetst op grond van artikel 39, eerste en tweede lid van Verordening (EU) 2018/1861 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem op het gebied van grenscontroles en tot wijziging van de overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen (hierna: de Verordening).
6.1.
Signaleringen worden op grond van de Verordening niet langer bewaard dan nodig is voor het met de invoering nagestreefde doel (artikel 39). De signalerende lidstaat toetst uiterlijk binnen vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring als bij de nationale beslissing die aan de basis ligt van de signalering een langere geldigheidsperiode dan drie jaar is bepaald (artikel 39, tweede lid van de Verordening). De SIS-signalering wordt na afloop van de toetsingstermijn automatisch gewist als er geen toetsing plaatsvindt (artikel 39, vijfde lid van de Verordening).
6.2.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat na vijf jaar de noodzaak van verdere bewaring van eisers gegevens in het SIS getoetst is en dat is geconcludeerd dat deze noodzaak er nog was omdat er geen veranderde omstandigheden waren. Verweerder heeft daarbij gesteld dat het systeem waarmee gewerkt wordt, vlak voor het verstrijken van de toetsingstermijn laat weten dat er een toets dient plaats te vinden en dat die toets dus ook in deze zaak is verricht. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring van verweerder te twijfelen en gaat ervan uit dat de toets daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de signalering anders zou zijn gewist en dat is hier niet het geval. De stelling van eiser dat deze toets voor hem kenbaar dient te worden gemaakt, volgt niet uit de Verordening. Het enkele feit dat er geen verlengingsbesluit is genomen, is daarom onvoldoende voor de conclusie dat de vereiste toets niet heeft plaatsgevonden. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 24 december 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:22174), leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan in deze zaak was er namelijk geen sprake was een (automatische) toets na het verstrijken van een termijn als bedoeld in artikel 39, tweede lid van de Verordening, maar van een verlenging van de SIS-signalering op grond van artikel 24 van de Verordening. Ook ging het om een SIS-signalering met een bepaalde duur. Nu geen sprake is van gelijke gevallen, kan eisers beroep op deze uitspraak niet leiden tot het daarmee door hem beoogde doel. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.
De evenredigheid
7. Eiser betoogt dat verweerder had moeten toetsen aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel.
7.1.
Een lidstaat moet nagaan of het geval gepast, relevant en belangrijk genoeg is om een signalering in het SIS te rechtvaardigen alvorens een persoon te signaleren of de geldigheidsduur van een signalering te verlengen. Dit staat in artikel 21 van de Verordening.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 19 maart 2024 expliciet is vermeld dat niet aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is getoetst. Vanwege de Unierechtelijke werking van SIS-signaleringen is dat naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet gebeurd. Anders dan verweerder stelt, leidt de rechtbank uit de preambule en artikel 21 van de Verordening af dat ook in deze situatie, waarin om opheffing van de SIS-signalering is verzocht, getoetst moeten worden aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Het besluit van 19 maart 2024 is daarom ook op dat punt niet deugdelijk gemotiveerd.
Tussenconclusie
8. Het beroep is gezien het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het besluit van 19 maart 2024 vernietigen wegens strijd met de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht van artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Geschilbeslechting
9. De rechtbank onderzoekt hierna de mogelijkheid van definitieve geschilbeslechting. In de eerste plaats onderzoekt zij of er aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 19 maart 2024 in stand kunnen blijven.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet gemotiveerd heeft bestreden dat hij niet aan de voorwaarden voor opheffing van de ongewenstverklaring voldoet. Ook heeft eiser niet betoogd dat andere gronden voor verwijdering van de SIS-signalering van toepassing zijn, buiten wat al is besproken in deze uitspraak. Partijen zijn het er inmiddels over eens dat een SIS-signalering, ook als geen van de gronden voor verwijdering zich voordoet, kan worden gewist als bijzondere of onvoorziene omstandigheden daartoe aanleiding geven. Met verweerder is de rechtbank eens dat eiser dergelijke omstandigheden niet heeft aangevoerd. De in beroep aangevoerde omstandigheden dat eiser familie heeft in Duitsland en Italië en hen wenst op te zoeken, heeft eiser, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd op zitting, niet onderbouwd, zodat al om die reden geen aanleiding bestaat om de handhaving van de SIS-signalering niet langer evenredig te achten. Ook het enkele tijdsverloop van de signalering is daarvoor onvoldoende. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets in het voordeel van eiser zou moeten uitvallen.
9.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich alsnog deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanleiding bestaat om eisers signalering in het SIS te verwijderen.
Eindconclusie
10. Met zijn aanvullende motivering heeft verweerder het motiveringsgebrek in het besluit van 19 maart 2024 hersteld. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit – meer concreet: de handhaving van de SIS-signalering – geheel in stand blijven. Dit betekent dat het beroep weliswaar gegrond is, maar dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt in de zaak.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt zij verweerder in de kosten die eiser in verband met zijn beroep heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verweerder hoeft geen griffierecht te vergoeden, omdat eiser van het betalen daarvan is vrijgesteld.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 19 maart 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Rademakers - Heins, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.