Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
“De verdachte heeft verklaard dat hij jarenlang heeft gehandeld in auto’s en hiermee veel geld heeft verdiend. De rechtbank stelt vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij de auto’s voornamelijk contant betaalde en dat hij in het geheel geen administratie van zijn autohandel heeft bijgehouden. De verdachte heeft geen namen van klanten of garages kunnen geven aan wie hij de voertuigen heeft verkocht of waar hij de voertuigen vandaan haalde. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van de verdachte met betrekking tot de autohandel onvoldoende concreet en verifieerbaar is om te dienen als verklaring voor de herkomst van zijn inkomsten. Daar komt bij dat de verdachte van zijn inkomsten uit autohandel belastingaangifte had moeten doen als Resultaat uit overige werkzaamheden (ROW). Door dit na te laten heeft de verdachte een onjuiste aangifte inkomstenbelasting ingediend en kunnen deze inkomsten (in ieder geval deels) worden aangemerkt als van enig misdrijf afkomstig.”
“Uit de leveringsakte begrijp ik dat het overige deel van € 30.000 in termijn voldaan aan de verkopers [A] en [B]. Dit dient uiterlijk 31 december 2020 te zijn voldaan. Ik kan volgens mij enkel twee betalingen aan [A] op uw bankrekeningen terugvinden. Namelijk op 14-10-2020 en op 11-12-2020. Zou u mij voor de volledigheid kunnen aangeven hoe het gehele bedrag van € 30.000 in 2020 is betaald?”
“Het eerste gaat over de [adres] mevrouw [B] is overleden in die tijd Cannes terug betaling. Volgens mij is er toen betaald aan nieuwedeal dat is op verzoek geweest van de partner van mevrouw [B]. Ook is er iets berekend met wat werkzaamheden als stoffeerder in de nieuwe zaak van de partner van mevrouw [B].”
DatumOmschrijving / persoon / betreftBedrag
€ 6.000 +
Geschil13. In geschil is of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat de verminderingsbeschikking moet worden aangemerkt als de formele uitspraak op bezwaar van eiser tegen de opgelegde aanslagen.
Tot slot wordt opgemerkt dat het de verdediging onduidelijk is of er voor[eiser]
wel transport is aangevraagd voor de zitting(…)
”. De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek bij bericht van 7 oktober 2025 afgewezen. Daarbij is vermeld dat eiser niet verplicht is te verschijnen ter zitting en als hij aanwezig wil zijn de gemachtigde zich tot de directeur van de penitentiaire inrichting (PI) kan wenden. Aan het begin van de zitting is namens eiser nogmaals verzocht om aanhouding van de zaak, omdat eiser geen gemachtigde heeft kunnen vinden die hem op fiscaal vlak kan bijstaan en hij zelf aanwezig wenst te zijn op de zitting. De rechtbank heeft beide verzoeken afgewezen omdat de belangen bij voortgang van de procedure prevaleren boven het door eiser gestelde belang bij aanhouding van de zaak. Eiser heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om een fiscale gemachtigde te zoeken aangezien het beroep op 23 mei 2024, bijna anderhalf jaar geleden, door eiser is ingediend. Ook heeft hij ruimschoots gelegenheid gehad om bewijsstukken in te dienen of had hij eerder aan kunnen geven dat hij daarvoor meer tijd nodig had. Op 3 september 2025 is eiser uitgenodigd voor de zitting. Door pas op 7 oktober, twee dagen voor de zitting, de rechtbank voor het eerst te informeren over de detentie van eiser, zonder een uitdrukkelijk verzoek om zijn aanwezigheid ter zitting, maar bovenal zonder daarbij zijn daadwerkelijke verblijfplaats te vermelden, heeft de rechtbank geen officieel verzoek kunnen doen bij de desbetreffende PI om zo mogelijk te maken dat eiser aanwezig kan zijn op de zitting. Dit komt voor rekening van eiser.
,omdat de onderbouwing van de uitspraak op bezwaar te summier is. Er wordt niet ingegaan op de specifieke bezwaren van eiser ten aanzien van de schatting van € 100.000 (resultaat uit overige werkzaamheden) en € 50.000 (box 3). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de uitspraak op bezwaar voldoende gemotiveerd. Van schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur acht de rechtbank geen sprake.