In deze zaak vordert het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) dat de gedaagde partij, die negatieve en dreigende berichten over COA-medewerkers op sociale media heeft geplaatst, deze berichten verwijdert en verwijderd houdt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de uitlatingen van de gedaagde onrechtmatig zijn en wijst de vorderingen van het COA toe. De zaak begon met een dagvaarding op 21 oktober 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 4 november 2025, waarbij de gedaagde partij in persoon verscheen en aangaf dat hij alleen Arabisch sprak. De behandeling werd aangehouden om een tolk te regelen. Op 24 november 2025 vond een vervolg zitting plaats, waar de gedaagde partij met zijn advocaat aanwezig was. Uiteindelijk bereikten partijen een minnelijke regeling, maar de gedaagde heeft de overeenkomst niet tijdig ondertekend. Het COA verzocht daarop om vonnis te wijzen, wat op 16 december 2025 gebeurde. De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitlatingen van de gedaagde de eer en goede naam van de COA-medewerkers ernstig schaadden en dat de gedaagde geen recht had om deze informatie openbaar te maken. De vorderingen van het COA werden toegewezen, inclusief een verbod op het publiceren van vergelijkbare uitlatingen in de toekomst.