ECLI:NL:RBDHA:2025:24070

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
C/09/692782 / KG ZA 25-995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot verwijdering van onrechtmatige uitlatingen op sociale media door het COA

In deze zaak vordert het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) dat de gedaagde partij, die negatieve en dreigende berichten over COA-medewerkers op sociale media heeft geplaatst, deze berichten verwijdert en verwijderd houdt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de uitlatingen van de gedaagde onrechtmatig zijn en wijst de vorderingen van het COA toe. De zaak begon met een dagvaarding op 21 oktober 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 4 november 2025, waarbij de gedaagde partij in persoon verscheen en aangaf dat hij alleen Arabisch sprak. De behandeling werd aangehouden om een tolk te regelen. Op 24 november 2025 vond een vervolg zitting plaats, waar de gedaagde partij met zijn advocaat aanwezig was. Uiteindelijk bereikten partijen een minnelijke regeling, maar de gedaagde heeft de overeenkomst niet tijdig ondertekend. Het COA verzocht daarop om vonnis te wijzen, wat op 16 december 2025 gebeurde. De voorzieningenrechter oordeelde dat de uitlatingen van de gedaagde de eer en goede naam van de COA-medewerkers ernstig schaadden en dat de gedaagde geen recht had om deze informatie openbaar te maken. De vorderingen van het COA werden toegewezen, inclusief een verbod op het publiceren van vergelijkbare uitlatingen in de toekomst.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/692782 / KG ZA 25-995
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS (COA)te Den Haag,
eisende partij,
advocaten: mrs. J.S. Bierens en Q.J.D. van der Bent,
tegen
[gedaagde partij]te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat voorheen mr. A. Çatbaş, thans procederend in persoon.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘het COA’ en ‘ [gedaagde partij] ’.

1.De procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 21 oktober 2025, met producties 1 tot en met 11;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 4 november 20225;
- de akte houdende wijziging van eis van de zijde van het COA;
- de akte overlegging producties 1 tot en met 6 van de zijde van [gedaagde partij] .
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak was gepland op 4 november 2025. Op 4 november 2025 zijn ter zitting verschenen de advocaten van het COA en [gedaagde partij] in persoon. [gedaagde partij] heeft ter zitting door middel van Google Translate op zijn mobiele telefoon kenbaar gemaakt dat hij alleen Arabisch spreekt, dat hij uitstel van de zitting wenste om een advocaat in te schakelen en dat hij een psychiater wilde. Hij heeft ook te kennen gegeven dat hij niet kon verstaan wat er op de zitting werd besproken. De voorzieningenrechter achtte het voor een zorgvuldige behandeling van de zaak noodzakelijk dat [gedaagde partij] werd bijgestaan door een advocaat en dat tijdens de zitting een tolk aanwezig zou zijn. De voorzieningenrechter heeft de behandeling van de zaak daarom aangehouden tot 17 november 2025.
1.3.
De behandeling van de zaak is vervolgens verplaatst op verzoek van mr. Çatbaş, de advocaat die zich inmiddels voor [gedaagde partij] had gesteld, en voortgezet ter zitting van 24 november 2025. Op die zitting zijn de advocaten van het COA verschenen en [gedaagde partij] met zijn advocaat mr. Çatbaş. Mr. Çatbaş heeft gebruik gemaakt van tolken Arabisch via de door hem geregelde tolkentelefoon. Op deze zitting hebben de advocaten van beide partijen het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. Nadat partijen in twee termijnen hun standpunten naar voren hebben gebracht en in overleg zijn getreden over het bereiken van een minnelijke regeling, heeft het COA vonnis gevraagd. Vervolgens is de zitting nogmaals geschorst om partijen nog eens met elkaar in gesprek te laten gaan. Na deze schorsing hebben de advocaten van partijen de voorzieningenrechter meegedeeld dat partijen een minnelijke regeling hadden getroffen. Deze regeling hield in dat [gedaagde partij] zou voldoen aan hetgeen het COA in deze procedure, na wijziging van eis, heeft gevorderd, waarbij de dwangsom zou worden omgezet in een boete en zou worden gematigd. Om te waarborgen dat [gedaagde partij] begreep waarvoor hij tekende, is afgesproken dat partijen de afspraken zelf zouden vastleggen in een vaststellingsovereenkomst en deze zouden laten vertalen naar het Arabisch. Na vertaling en akkoord zouden beide partijen de overeenkomst ondertekenen en naar de rechtbank opsturen, zodat deze in een proces-verbaal kon worden vastgelegd. Hierna is de zitting gesloten.
1.4.
Bij bericht van 27 november 2025 heeft mr. Bierens de rechtbank laten weten dat het vertalen en ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst langer bleek te duren dan gedacht, maar dat hij verwachtte uiterlijk op 1 december 2025 een ondertekende vaststellingsovereenkomst toe te kunnen sturen. Vervolgens heeft de advocaat van [gedaagde partij] zich bij bericht van 28 november 2025 onttrokken.
1.5.
Het COA heeft de voorzieningenrechter bij bericht van 2 december 2025 verzocht vonnis te wijzen omdat zij geen ondertekende vaststellingsovereenkomst van [gedaagde partij] had ontvangen. Vervolgens is vonnis bepaald op 16 december 2025. Bij brief van 14 december 2025 heeft de ‘Wereldfederatie voor Migranten’ – naar de voorzieningenrechter begrijpt op verzoek van [gedaagde partij] – verzocht de gehele zaak opnieuw te beoordelen en een onderzoek te openen naar de gebeurtenissen binnen de opvanglocatie te Vlissingen. Gelet op het hiervoor beschreven procesverloop waarbij uiteindelijk op 24 november 2025 een inhoudelijke mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waarbij [gedaagde partij] vergezeld van een advocaat is verschenen en in twee termijnen zijn standpunt heeft kunnen (laten) toelichten, en het spoedeisende karakter dat eigen is aan de kortgedingprocedure, heeft de voorzieningenrechter geen aanleiding gezien dit verzoek te honoreren. De voorzieningenrechter wijst daarom vandaag vonnis.

2.De feiten

2.1.
Het COA is een zelfstandig bestuursorgaan met rechtspersoonlijkheid. Op grond van de Wet COA is het COA (onder meer) belast met de opvang en begeleiding van asielzoekers in Nederland en het plaatsen van asielzoekers in een opvangvoorziening.
2.2.
[gedaagde partij] is afkomstig uit [land] en heeft in 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
[gedaagde partij] verbleef van 30 augustus 2022 tot 26 oktober 2023 in de opvanglocatie van
het COA in Vlissingen. Na het verkrijgen van een verblijfsvergunning in september 2023 heeft [gedaagde partij] per 23 mei 2024 reguliere huisvesting gekregen in [plaats] .
2.3.
In 2023, nog tijdens zijn verblijf in Vlissingen, is [gedaagde partij] begonnen met het plaatsen van berichten op sociale media waarin hij zich op negatieve en dreigende wijze uitliet over en richting het COA. Vanwege het gedrag van [gedaagde partij] , is tegen hem aangifte gedaan. Daarna heeft [gedaagde partij] enige tijd geen berichten meer op sociale media geplaatst.
2.4.
Vanaf februari 2025 is [gedaagde partij] opnieuw begonnen met het publiceren van honderden berichten op verschillende sociale-media-accounts, met name op de Instagram-accounts ‘ [Instagram-account 1] ’ en ‘ [Instagram-account 2] ’. In een groot aantal van deze berichten richt [gedaagde partij] zich op individuele medewerkers van de COA-locatie in Vlissingen. In deze berichten worden de medewerkers publiekelijk bij naam genoemd en/of met foto herkenbaar in beeld gebracht, in combinatie met teksten waarin zij worden beschuldigd van onder meer racisme, discriminatie, moord en het veroorzaken van zelfdoding. Ook worden de medewerkers in verband gebracht met het naziregime en worden zij herhaaldelijk uitgescholden met het woord ‘kanker’ of wordt hun deze ziekte toegewenst.
2.5.
Bij brief van 25 augustus 2025 heeft het COA [gedaagde partij] gesommeerd om uiterlijk 10 september 2025 de berichten waarin hij individuele COA-medewerkers bij naam heeft genoemd of heeft afgebeeld van zijn sociale-media-accounts te verwijderen en verwijderd te houden, en schriftelijk te bevestigen dat hij in de toekomst geen soortgelijke berichten met namen, afbeeldingen of andere persoonsgegevens van COA-medewerkers zal plaatsen. [gedaagde partij] heeft aan deze sommatie in elk geval tot op de zitting van 4 november 2025 geen gevolg gegeven.
2.6.
In aanloop naar de voortzetting van de mondelinge behandeling van 24 november 2025 zijn de Instagram-profielen van [gedaagde partij] ‘op zwart’ gegaan.

3.Het geschil

3.1.
Het COA vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde partij] veroordeelt om binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis van
de Instagram-accounts " [Instagram-account 1] " en " [Instagram-account 2] ", LinkedIn, en eventuele andere door (of namens) hem beheerde pagina's en uitingen op het internet, te (doen laten) verwijderen en verwijderd te (doen laten) houden:
  • de voornamen en achternamen (alsmede varianten daarop, waaronder initialen) van de volgende medewerkers van het COA: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] ;
  • foto's of afbeeldingen waarin (portretten van) de hiervoor genoemde medewerkers van het COA staan afgebeeld;
  • de in productie 2, 3, 4, 7, 10 en 11 opgenomen berichten, alsmede berichten van andere data met een identieke inhoud, of met dezelfde strekking;
II. [gedaagde partij] verbiedt om:
  • op sociale media (of elders op internet) berichten te (doen laten) publiceren of gepubliceerd te houden met daarin de namen, (herleidbare) varianten op deze namen, foto's of andere persoonsgegevens van de onder I genoemde medewerkers van het COA;
  • op sociale media (of elders op internet) berichten te (doen laten) publiceren of gepubliceerd te houden met daarin namen, (herleidbare) varianten op deze namen, foto's of andere persoonsgegevens van (andere) medewerkers van het COA die geen hooggeplaatste, bestuurlijke functie hebben, tenzij deze personen daar expliciet toestemming voor hebben gegeven;
III. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan het COA van een dwangsom van € 5.000
voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat hij een of meer van de vorderingen I en/of II, niet volledig en/of niet tijdig nakomt, met een maximum van € 25.000;
IV. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van het geding, vermeerderd met de
wettelijke rente.
3.2.
Het COA legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] noemt individuele COA-medewerkers met wie hij in Vlissingen in aanraking is gekomen in een grote serie online berichten op sociale media bij naam en beeldt hen met (elders van het internet gekopieerde) foto’s af en beticht hen in (uitgebreide) teksten van (onder meer) moord, discriminatie, racisme, drugsgebruik en andere misdragingen en vergelijkt hen met nazi’s. Ook wenst hij hen in een groot aantal berichten een levensbedreigende ziekte (kanker) toe. De betreffende medewerkers van het COA genieten geen publieke bekendheid en zijn alleen door hun werk voor het COA in aanraking gekomen met [gedaagde partij] . Zij hebben slechts feitelijk aan het beleid en de wettelijke taken van het COA uitvoering gegeven. Het vermelden en afbeelden van (informatie over) deze individuele medewerkers op sociale media, of het in persoon aanrekenen van handelingen die zij namens het COA hebben verricht, dient daarom geen legitiem doel en is onrechtmatig.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer dat hierna, voor zover van belang, zal worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:569) volgt dat een werkgever de bevoegdheid heeft een vordering in te stellen ter bescherming van de belangen van haar (oud-)werknemers die volgens de werkgever worden geschaad door een publicatie waarin de werknemers een rol spelen in verband met de werkzaamheden die zij voor hun werkgever verrichten. Het COA is dan ook ontvankelijk in haar vorderingen.
4.2.
Beoordeeld dient te worden of de uitlatingen van [gedaagde partij] onrechtmatig zijn. Vooropgesteld wordt dat bij de beoordeling van die vraag zich een botsing voordoet tussen twee fundamentele grondrechten. Aan de ene kant geldt op grond van artikel 7 Grondwet (Gw) en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) voor [gedaagde partij] de vrijheid van meningsuiting. Aan de andere kant beschermen artikel 10 Gw en artikel 8 EVRM het recht van de medewerkers van het COA op eerbieding van de persoonlijke levenssfeer, waaronder ook is begrepen het recht op bescherming van de eer en goede naam. Toewijzing van het door het COA gevorderde zou een beperking inhouden van het recht op de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde partij] . Dit recht kan slechts worden beperkt indien dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10, tweede lid, EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake indien de uitlatingen van [gedaagde partij] een zodanige inbreuk maken op de eer en goede naam van de medewerkers van het COA, dat die als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrije meningsuiting of het recht op bescherming van de eer en goede naam - in het concrete geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Welk van de belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Bij deze beoordeling zijn onder meer relevant de aard en inkleding van de uitlatingen, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het feitenmateriaal, (de omvang van) het publiek dat daarmee wordt bereikt en de ernst van de beschuldigingen en de te verwachten gevolgen voor de medewerkers van het COA (die geen publieke figuur zijn en daarom meer recht hebben op de bescherming van hun eer en reputatie dan een publieke figuur). Ook kan een rol spelen de mate waarin de in een uiting ter sprake gebrachte persoon zelf zich zo heeft opgesteld dat met (krachtige) reacties rekening viel te houden. Deze omstandigheden wegen niet zonder meer allemaal even zwaar. Het hangt van het concrete geval af welke omstandigheden van toepassing zijn en welk gewicht aan de toepasselijke omstandigheden moet worden gehecht.
4.3.
[gedaagde partij] heeft ter zitting van 24 november 2025, bij monde van zijn advocaat, verklaard dat de uitingen zoals opgenomen in producties 2, 3, 4, 7, 10 en 11 van het COA niet “de schoonheidsprijs” verdienen en “hier en daar ook wat hoekig” waren, en dat hij deze daarom heeft verwijderd en verwijderd zal houden. De voorzieningenrechter stelt als onweersproken vast dat [gedaagde partij] individuele COA-medewerkers met wie hij in Vlissingen in aanraking is gekomen in een grote serie online berichten op sociale media bij naam noemt en uitbeeldt met (elders van het internet gekopieerde) foto’s en hen in (uitgebreide) teksten beticht van (onder meer) moord, discriminatie, racisme, drugsgebruik en andere misdragingen en hen vergelijkt met nazi’s. Ook wenst hij hen in een groot aantal berichten een levensbedreigende ziekte (kanker) toe. Uit de ter zitting gegeven toelichting maakt de voorzieningenrechter op dat deze publicaties verband houden met het standpunt van [gedaagde partij] dat sprake is van ernstige misstanden van kwetsbare personen in het AZC te Vlissingen, en dan met name zelfdestructieve incidenten, en dat hij dat op de kaart wil zetten.
4.4.
De stroom aan foto’s van COA-medewerkers met beschuldigingen en verwensingen aan hun adres zijn ernstig en bedreigend en aangenomen moet worden dat deze verstrekkende gevolgen hebben voor deze medewerkers. De beschuldigingen gingen immers vergezeld van foto’s, en waren online voor iedereen zichtbaar. Tussen partijen is niet in geschil dat de door [gedaagde partij] bij naam genoemde of afgebeelde medewerkers van de het COA niet zelf de publiciteit hebben gezocht en als zogenoemde niet-publieke personen moeten worden beschouwd, dat wil zeggen als personen die geen bestuurlijke functie hebben of woordvoerder zijn van het COA, maar die slechts het beleid van het COA uitvoeren. Alle gedragingen van deze personen moeten in beginsel, en mits deze passen in de normale taakuitoefening van deze personen, aan het COA worden toegerekend. Daarbij komt dat [gedaagde partij] in staat moet worden geacht de door hem gestelde misstanden bij het COA aan de orde te stellen zonder daarbij de namen, foto’s of andere persoonsgegevens van de door het COA genoemde medewerkers, dan wel van andere COA-medewerkers zonder hooggeplaatste of bestuurlijke functie, te gebruiken. Het publiceren van dergelijke persoonsgegevens in uitingen op sociale media of elders op internet vormt een niet-gerechtvaardigde inbreuk op hun recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en is daarom onrechtmatig. Daarmee ligt de vordering van het COA onder I in beginsel voor toewijzing gereed.
4.5.
[gedaagde partij] stelt zich evenwel op het standpunt dat het COA niet langer een (spoedeisend) belang heeft bij haar vordering onder I, nu hij de gewraakte uitingen heeft verwijderd en heeft toegezegd deze verwijderd te zullen houden. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde partij] slechts ten dele in dit standpunt. Het COA heeft bevestigd dat de gewraakte uitingen inmiddels zijn verwijderd, althans dat deze niet langer online zichtbaar zijn. Voor zover de vordering onder I strekt tot het verwijderen van die uitingen wordt die vordering dan ook afgewezen wegens een gebrek aan belang. Voor zover de vordering ertoe strekt de uitingen verwijderd te houden heeft het COA daarbij wel nog steeds een (spoedeisend) belang. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat onduidelijk is of de uitingen permanent zijn verwijderd, of dat deze weer zichtbaar worden indien [gedaagde partij] zijn Instagram-pagina’s opnieuw activeert door daarop in te loggen. De voorzieningenrechter acht dit van belang nu er een reëel risico bestaat dat [gedaagde partij] in zijn oude gedrag vervalt. [gedaagde partij] is immers eerder gestopt met het plaatsen van berichten op sociale media, maar is daar later toch weer mee begonnen. Bovendien acht de voorzieningenrechter het niet uitgesloten dat de uitingen van [gedaagde partij] verband houden met zijn mentale problemen, waarvoor hij herhaaldelijk om psychiatrische hulp heeft verzocht, die hij tot op heden nog niet heeft gekregen. Nu [gedaagde partij] zelf heeft toegezegd de berichten verwijderd te houden, valt daarnaast niet in te zien op welke wijze hij door toewijzing van dat deel van de vordering onder I in zijn belang wordt geschaad. Voor zover de vordering onder I ziet op het verwijderd houden van de uitingen, wordt deze vordering dan ook toegewezen.
4.6.
De vordering van het COA onder II wordt eveneens toegewezen. Dat dit een te vergaande beknotting van de vrijheid van meningsuiting van [gedaagde partij] inhoudt omdat hij daardoor niet in staat zou zijn misstanden bij het COA aan de kaak te stellen, zoals van de kant van [gedaagde partij] is aangedragen, wijst de voorzieningenrechter van de hand. Hiervoor is al overwogen dat [gedaagde partij] in staat moet worden geacht de door hem gestelde misstanden bij het COA aan de orde te stellen zonder daarbij de namen, foto’s of andere persoonsgegevens van de door het COA genoemde medewerkers, dan wel van andere COA-medewerkers zonder hooggeplaatste of bestuurlijke functie, te gebruiken.
4.7.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding de veroordelingen te versterken met een dwangsom, zoals door het COA gevorderd. De dwangsom zal worden gematigd op een bedrag van € 500, - per overtreding.
4.8.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het COA worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.144,45
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om van de Instagram-accounts " [Instagram-account 1] " en " [Instagram-account 2] ", LinkedIn, en eventuele andere door (of namens) hem beheerde pagina's en uitingen op het internet, verwijderd te (doen laten) houden:
  • de voornamen en achternamen (alsmede varianten daarop, waaronder initialen) van de volgende medewerkers van het COA: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] ;
  • foto's of afbeeldingen waarin (portretten van) de hiervoor genoemde medewerkers van het COA staan afgebeeld;
  • de in productie 2, 3, 4, 7, 10 en 11 van de zijde van het COA opgenomen berichten, alsmede berichten van andere data met een identieke inhoud, of met dezelfde strekking;
5.2.
verbiedt [gedaagde partij] om:
  • op sociale media (of elders op internet) berichten te (doen laten) publiceren of gepubliceerd te houden met daarin de namen, (herleidbare) varianten op deze namen, foto's of andere persoonsgegevens van de onder 5.1 genoemde medewerkers van het COA;
  • op sociale media (of elders op internet) berichten te (doen laten) publiceren of gepubliceerd te houden met daarin namen, (herleidbare) varianten op deze namen, foto's of andere persoonsgegevens van (andere) medewerkers van het COA die geen hooggeplaatste, bestuurlijke functie hebben, tenzij deze personen daar expliciet toestemming voor hebben gegeven;
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan het COA van een dwangsom van € 500,-
voor iedere dag (een dagdeel daaronder begrepen) dat hij een of meer van de veroordelingen onder 5.1. en/of 5.2. niet volledig en/of niet tijdig nakomt, met een maximum van
€ 25.000,-;
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 2.144,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.F. Hesselink en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.