ECLI:NL:RBDHA:2025:24130

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25-8241
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom opgelegd door college van gedeputeerde staten van Zuid Holland

Op 16 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen [verzoekster] B.V. en het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland. [verzoekster] had een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen een door het college opgelegde last onder dwangsom vanwege overtreding van voorschrift 9.6.3 van de revisievergunning. De voorzieningenrechter oordeelde dat er twijfel bestond over de rechtmatigheid van de opgelegde last, wat zwaar meeweegt in de belangenafweging. Het ging om een relatief kleine stroom gas en partijen waren in gesprek om het emitteren van deze stroom vergund te krijgen. De voorzieningenrechter concludeerde dat het belang van [verzoekster] bij schorsing van de last onder dwangsom zwaarder weegt dan het belang van het college. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en de last onder dwangsom geschorst, inclusief het besluit op bezwaar van 17 december 2024. Tevens is het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan [verzoekster].

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8241

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 december 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] B.V. ( [verzoekster] ), te [plaats] , verzoekster

(gemachtigden: mr. K. van Ettekoven en mr. E.L. van Leeuwen),
en

het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland, het college

(gemachtigde: mr. L. Beerens).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster] tegen een door het college opgelegde last onder dwangsom. [verzoekster] is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
Met het besluit van 14 juli 2023 heeft het college [verzoekster] met betrekking tot de inrichting aan de Antarcticaweg 185 te Rotterdam Maasvlakte lasten onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van de voorschriften 9.6.2 en 9.6.3 van de revisievergunning van 18 oktober 2021. [verzoekster] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met de besluiten van 27 maart 2024 en
20 augustus 2024 heeft het college dit besluit gewijzigd.
Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van [verzoekster] is het college bij dit besluit gebleven. [verzoekster] heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 25/798) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot de last onder dwangsom die is opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 9.6.3 van de revisievergunning.
Het college heeft op 25 november 2025 een wijzigingsbesluit genomen.
Op 26 november 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een ordemaatregel te treffen afgewezen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [verzoekster] , vergezeld door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] .
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De last onder dwangsom is opgelegd voor overtreding van voorschrift 9.6.3 in de revisievergunning van 18 oktober 2021. Dat voorschrift luidt:
“Ter voorkoming van onnodig affakkelen moet er een gasterugwinningssysteem met voldoende capaciteit aanwezig zijn waarbij gebruik wordt gemaakt van zeer betrouwbare overdrukkleppen.”
Dit voorschrift is gebaseerd op BBT-conclusie 17 van BREF CWW.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig is. Daarbij is van belang dat de begunstigingstermijn is verlopen en [verzoekster] het verbeuren van dwangsommen riskeert die oplopen tot € 3.000.000,- als de last onder dwangsom niet zou worden geschorst.
5. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten. In het productieproces van [verzoekster] ontstaat restgas, bestaande uit Waterstofgas (H2) en Koolwaterstoffen (CxHy). Deze hoofdprocesgassen worden in het productieproces van [verzoekster] teruggewonnen; een deel wordt weer gebruikt in het productieproces en het resterende deel gaat naar de procesfornuizen en het daarvan resterende deel naar het bedrijf [bedrijfsnaam] .
6. Naar voorlopig oordeel wordt hiermee voldaan aan BBT 17 van BREF CWW en aan voorschrift 9.6.3 van de revisievergunning. Het deel van het hoofdprocesgas wordt immers conform techniek a van BBT 17 van BREF CWW via een gasterugwinningssysteem teruggewonnen ten behoeve van [verzoekster] . Het deel dat naar [bedrijfsnaam] gaat, valt onder techniek b van BBT 17 van BREF CWW; het in evenwicht houden van het stookgassysteem en het gebruiken van geavanceerde procescontrole. Door het college is ook niet betwist dat [verzoekster] in zoverre voldoet aan BBT 17.
7. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat er jaarlijks ongeveer 1.000 ton aan hoofdprocesgassen door de fakkel worden verbrand. Volgens [verzoekster] gebeurt dit alleen in geval van veiligheidsredenen of niet-bedrijfsmatige omstandigheden en is dat in overeenstemming met de revisievergunning. De voorzieningenrechter beschikt niet over informatie waaruit volgt dat dit niet klopt. Niet is onderbouwd dat [verzoekster] bij normale bedrijfsomstandigheden ook hoofdprocesgassen door de fakkel laat verbranden.
8. Verder is sprake van een emissie van 100 ton aan kleine atypische stromen uit de hulpprocessen. Deze stromen komen via 180 emissiepunten uit op de fakkel. [verzoekster] heeft aangevoerd dat deze stromen bij normale bedrijfsomstandigheden niet worden verbrand, maar direct in de lucht worden geëmitteerd. Alleen wanneer in geval van veiligheidsredenen of niet-bedrijfsmatige omstandigheden wordt gefakkeld, gaat deze stroom mee met de verbanding. De voorzieningenrechter beschikt niet over informatie waaruit volgt dat deze weergave van de feiten niet klopt.
9. De vraag die partijen verdeelt is of [verzoekster] door deze atypische stromen uit de hulpprocessen te emitteren via de fakkel, zonder deze te verbanden, in overtreding is van voorschrift 9.6.3 van de revisievergunning. Daar heeft de voorzieningenrechter twijfels over. Voorschrift 9.6.3 is opgesteld om onnodig affakkelen te voorkomen. BBT 17 van BREF CWW, waar het voorschrift op is gebaseerd, betreft de best beschikbare technieken om emissies in de lucht afkomstig van fakkels te voorkomen. Aangezien deze stromen bij normale bedrijfsomstandigheden niet worden verbrand, is van onnodig fakkelen geen sprake. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter levert dit daarom geen overtreding van voorschrift 9.6.3 op.
10. Dit betekent dat twijfel bestaat over de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom. Die twijfel weegt zwaar mee in de belangenafweging die moet worden gemaakt. Daarnaast stelt de voorzieningenrechter vast dat het gaat om een relatief kleine stroom van gas en dat partijen weer onderling in gesprek zijn om het emitteren van deze stroom vergund te krijgen. Onder die omstandigheden weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het belang van [verzoekster] bij het schorsen van de last onder dwangsom zwaarder dan het belang van het college.

Conclusie en gevolgen

11. Het vorenstaande betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. De voorzieningenrechter schorst het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom, inclusief het daarmee samenhangende besluit op bezwaar van 17 december 2024 en de wijzigingsbesluiten, voor zover het betreft de last die is opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 9.6.3 van de omgevingsvergunning van 18 oktober 2021.
12. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan [verzoekster] vergoeden. [verzoekster] krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door gemachtigden krijgt [verzoekster] een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigden hebben het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
13. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom, inclusief het daarmee samenhangende besluit op bezwaar van 17 december 2024 en de wijzigingsbesluiten, voor zover het betreft de last die is opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 9.6.3 van de revisievergunning van 18 oktober 2021, tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan [verzoekster] moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan [verzoekster] .
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025 door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.